
Een cactus uit Mexico en een zuilvormige euphorbia uit Afrika kunnen verbluffend eender eruitzien: dikke groene stengels, weinig of geen bladeren, flinke stekels. Toch liggen hun stambomen enorm ver uit elkaar – nog véél verder dan jouw stamboom verschilt van die van een willekeurig iemand aan de andere kant van de wereld. Dit verschijnsel heet convergente evolutie. Het treedt op wanneer ver uiteenlopende plantensoorten onafhankelijk van elkaar met dezelfde oplossing voor een probleem komen (zoals stekels, die overal ter wereld beschermen tegen knabbelende dieren). In dit artikel kijken we hoe dat eruitziet bij kamerplanten die je in huis tegenkomt, en waarom een goede determinatie soms verder gaat dan wat je met het blote oog kunt zien.
- Wat is convergente evolutie?
- Cactussen en hun dubbelgangers
- Een palm die geen palm is
- Twee planten, één naam
- Tegenvoorbeeld: een familie die alle kanten op groeit
- Wat dit betekent voor de verzorging?
- Reacties
1. Wat is convergente evolutie?
Evolutie verloopt vaak via gemeenschappelijke voorouders. Hoe meer twee soorten op elkaar lijken, hoe nauwer ze meestal verwant zijn. Maar niet altijd. Soms ontwikkelen sterk verschillende evolutionaire lijnen toch vergelijkbare eigenschappen, omdat ze met dezelfde problemen worstelen. Dolfijnen en haaien hebben allebei een gestroomlijnd lichaam, niet omdat ze nauw verwant zijn, maar omdat snel zwemmen nu eenmaal om een bepaalde vorm vraagt. Vleugels zijn afzonderlijk uitgevonden bij vogels, vleermuizen en insecten. Hetzelfde gebeurt in de plantenwereld.
Dat heet convergente evolutie. De onderliggende drijfveer is vaak te herleiden tot droogte, felle zon, vraat door dieren, of een specifieke leefstijl als klimmen of epifytisme. Als je de patronen herkent, zie je waarom een wolfsmelk op een cactus lijkt zonder een cactus te zijn, waarom de hawaiipalm botanisch gezien geen palm is, en waarom de aronskelkfamilie er onderling totaal verschillend uit kan zien. We lopen een paar van de mooiste voorbeelden langs.

2. Cactussen en hun dubbelgangers
Het beroemdste botanische voorbeeld zijn de cactussen en de cactusachtige euphorbia’s. Echte cactussen vormen de familie Cactaceae. Hun natuurlijke zwaartepunt ligt vrijwel volledig in Amerika, met één leuke spelbreker: Rhipsalis baccifera, de maretakcactus, komt óók van nature voor in delen van Afrika en Sri Lanka. Dat is een echte cactus met een klein wereldreizigersprobleem. Euphorbia hoort ondertussen thuis in de wolfsmelkfamilie (Euphorbiaceae). Het geslacht is groot en wijdverspreid, maar veel van de zuilvormige, cactusachtige soorten komen uit Afrika.
Toch ontwikkelden cactussen en succulente euphorbia’s allebei dikke, groene, vaak gegroefde stammen met stekels of doorns die op het eerste gezicht moeilijk uit elkaar zijn te houden. De Nederlandse handelsnaam ‘cowboycactus’ voor Euphorbia ingens vat het misverstand al netjes samen: het klinkt stoer, verkoopt waarschijnlijk prima, maar is botanisch gewoon niet waar.
Hoe komt dat? Beide groepen hebben hetzelfde probleem op vrijwel dezelfde manier opgelost: hoe overleef je in een hete, droge omgeving? Het antwoord blijkt opvallend eensluidend: maak je stam vlezig zodat je water kunt opslaan, beperk bladeren omdat die veel water verdampen, gebruik stekels of doorns tegen vraat en schaduw op kleine schaal, en schakel bij veel soorten over op CAM-fotosynthese. Bij die zuinige vorm van fotosynthese openen huidmondjes vooral ’s nachts, wanneer waterverlies kleiner is.
Als je cactussen en euphorbia’s uit elkaar wilt houden, moet je op twee details letten. Cactussen hebben areolen: kleine, vaak wollige kussentjes waaruit stekels, haren, zijscheuten of bloemen kunnen groeien. Euphorbia’s hebben die niet. En als een euphorbia per ongeluk beschadigd raakt, lekt er meestal wit, irriterend melksap uit. Cactussen geven dat kenmerkende witte wolfsmelksap niet af; hun sap is doorgaans helder, waterachtig en niet irriterend.
De droogte heeft nog een ander spoor getrokken. Lithops en Argyroderma, de levende steentjes uit de ijskruidfamilie (Aizoaceae), zijn óók succulenten, maar dan met een heel ander ontwerp. Geen zuilen met stekels, maar kleine bladparen die zo op kiezels lijken dat ze tussen stenen bijna verdwijnen. Dezelfde uitdaging, een totaal andere oplossing.
3. Een palm die geen palm is
‘Palm’ is in de plantenhandel een verzamelterm geworden voor alles met een stammetje en een bos bladeren bovenin. Botanisch gezien horen alleen planten uit de palmfamilie Arecaceae echt onder die noemer thuis: Howea forsteriana (kentiapalm), Chrysalidocarpus lutescens (goudpalm, in oudere bronnen vaak Dypsis lutescens), Chamaedorea, Phoenix en zo verder. Alle andere ‘palmen’ in het kamerplantenassortiment zijn vermomming. Soms een zeer overtuigende vermomming, maar toch.
De varenpalm of vredespalm (Cycas revoluta) is geen palm maar een cycadee, een oude groep zaadplanten die niet bij de bedektzadigen hoort. Cycadeeën zijn naaktzadigen, net als coniferen. De voorouders van de cycadeeën waren er al lang voordat de echte palmen als bedektzadigen hun entree maakten. Toch komt een Cycas voor het oog palmachtig genoeg over
De hawaiipalm (Brighamia insignis) gaat nog een stap verder. Die zit in de klokjesfamilie (Campanulaceae), de familie van de klokjesbloemen. Lange isolatie op de Hawaiiaanse eilanden heeft hier geleid tot een dikke, palmachtige succulent met een opgezwollen stam en een bladrozet bovenin.
En dan zijn er nog Yucca, Dracaena, Cordyline en Beaucarnea: allemaal in de aspergefamilie (Asparagaceae), en geen van allen palmen. Ze delen wel vaak iets van de palmachtige bouw met echte palmen, cycadeeën én Brighamia: een stevige stam of stamachtige basis, met een bladrozet of bladkroon bovenin.
Een fraaie buitenstaander is Pachypodium, de madagascarpalm. Ook dat is geen echte palm, maar een succulente verwant van de oleander in de maagdenpalmfamilie (Apocynaceae). Stekels onderaan, een rozet bladeren bovenaan: cactus van onderen, palm van boven, in werkelijkheid geen van beide.

4. Twee planten, één naam
Convergente evolutie komt dus terug in de manier waarop we planten benoemen. Wie in een tuincentrum vraagt naar een olifantsoor, krijgt vrijwel zeker een Alocasia mee: een lid van de aronskelkfamilie (Araceae) met grote, pijlpuntige bladeren. Maar dezelfde naam wordt ook gebruikt voor Kalanchoe beharensis, een vetplant uit Madagaskar met grote, fluwelige, breed-driehoekige bladeren in een totaal andere familie (Crassulaceae). De ene plant is een eenzaadlobbige uit vochtige tropische streken; de andere een tweezaadlobbige uit een veel droger landschap. Toch zijn beide bladeren groot, breed en olifantachtig genoeg om in de volksmond dezelfde naam te krijgen.
Hetzelfde gebeurt met de naam woestijnroos. Sommigen denken daarbij aan Adenium, een dikstammige succulent uit dezelfde familie als Pachypodium; anderen gebruiken de naam voor Kalanchoe thyrsiflora, de witgepoederde, rozetvormige kamerplant uit de vetplantenfamilie.
5. Tegenvoorbeeld: een familie die alle kanten op groeit
Convergente evolutie is interessant omdat ze laat zien dat gelijkende planten niet automatisch verwant zijn. Het omgekeerde komt minstens zo vaak voor: nauw verwante planten die helemaal niet op elkaar lijken. De aronskelkfamilie (Araceae) is daar een schoolvoorbeeld van. In één en dezelfde familie vinden we:
- de bekende gatenplant Monstera deliciosa;
- de strakke, glanzende flamingoplant Anthurium;
- de robuuste, semi-succulente Zamioculcas zamiifolia;
- de forse olifantsoren van Alocasia;
- de bescheiden lepelplant Spathiphyllum;
- de klimmende Epipremnum en Philodendron;
- de gevlekte Dieffenbachia;
- de Chinese evergreen Aglaonema.
Wie alleen naar bladvorm en groeiwijze kijkt, zou nooit raden dat dit allemaal nauwe verwanten zijn. Toch delen ze een eigenaardige bloeiwijze: een kolfje met kleine bloempjes, meestal omgeven door een groot schutblad. Dat schutblad is bij Anthurium vaak felgekleurd en glanzend, bij Spathiphyllum wit en lepelvormig en bij Monstera bleek, met na de bloei een vrucht die op een onrijpe maïskolf lijkt. Op het oog wellicht tamelijk verschillend, maar in botanisch opzicht vrijwel identiek.
Met andere woorden: gelijkenis is niet altijd familieverwantschap, en familieverwantschap is niet altijd gelijkenis.
6. Wat dit betekent voor de verzorging?
Los van dat dit leuke weetjes zijn voor botanici, heeft dit ook praktische waarde voor de huiskamertuinier. Convergente vorm zegt vaak iets over leefomgeving, en dus over wat een plant nodig heeft. Een dikke, gegroefde stam zonder veel blad wijst doorgaans op een droogtespecialist, of het nu om een cactus, een euphorbia of een pachypodium gaat. Zulke planten willen meestal veel licht, een luchtige, goed doorlatende potgrond en een spaarzame watergift.
Maar de andere kant telt ook. Twee planten die er sterk op elkaar lijken kunnen toch verschillende behoeften hebben, omdat hun voorouders uit verschillende oorspronkelijke leefgebieden komen. Denk alleen al aan wat wij in het dagelijks taalgebruik tropische planten noemen. Je hebt namelijk tropen zonder enige vorm van seizoen, maar ook tropen waar het maandenlang niet regent – daarom kan de flessenplant (Jatropha podagrica) zeer goed tegen droogte, maar reageert hij, mits het warm genoeg is, ook uitbundig op een flinke watergift.
Wie op vorm zoekt in plaats van op familie, kan dus op een dwaalspoor uitkomen. Een Latijnse naam helpt: die wijst meestal eenduidig naar één plant, haar familie en haar herkomstgebied. Dat kan al heel veel aanwijzingen geven voor hoe je moet zorgen voor goede groei in huis. En andersom geldt: als twee planten verdacht veel op elkaar lijken maar heel anders heten in het Latijn, is dat reden om iets nauwkeuriger naar de verzorgingseisen te kijken voordat je ze naast elkaar op dezelfde vensterbank zet!
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.