
De schildpadplant (Callisia repens) is een kleine, kruipende kamerplant met vlezige blaadjes die dicht op elkaar staan en in slierten over de potrand hangen. De soort groeit snel en laat zich heel gemakkelijk stekken, waardoor hij ook geschikt is voor beginnende huiskamertuiniers. Hoe zorg je bij de schildpadplant voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
1. Inleiding: wat is de schildpadplant (Callisia repens) voor plant?

Callisia is een geslacht van veelal kruipende, enigszins vetplantachtige planten uit de familie Commelinaceae. De Nederlandse naam ‘schildpadplant’ heeft in de regel betrekking op één specifieke soort: Callisia repens, de kamerplant die in dit artikel centraal staat. De kleine, ronde tot eivormige blaadjes staan in twee rijen dicht langs de stengel; met enige goede wil doet dat patroon denken aan de platen van een schildpadschild.
De geslachtsnaam Callisia komt van het Griekse kallos, dat ‘schoonheid’ betekent – een verwijzing naar het fraaie blad. De soortnaam repens is Latijn voor ‘kruipend’.
De snelle groei en gemakkelijke vermeerdering maken de schildpadplant een dankbare plant voor huiskamertuiniers. Een afgeknipt stengeltje wortelt doorgaans binnen een mum van tijd (zie ook het kopje Vermeerderen verderop in dit artikel). Bonte vormen kunnen op een lichte standplaats bovendien aantrekkelijke roze, roomwitte en koperrode tinten krijgen.
1.1 Habitat en herkomst
Het natuurlijke verspreidingsgebied van Callisia repens loopt van het zuidoosten van Texas via Mexico, Midden-Amerika en de Caraïben tot in delen van Zuid-Amerika, waaronder Argentinië. In het wild groeit hij op deels beschaduwde, vaak rotsige plekken. De soort is dus gewend aan gefilterd licht.
Buiten zijn oorspronkelijke gebied kan de soort in warme klimaten gaan woekeren. In West-Australië is Callisia repens verboden vanwege het risico voor de inheemse vegetatie: de wortelende stengels vormen dichte matten en de plant kan zich via stengeldelen en zaad verspreiden.
1.2 Groeiwijze

De schildpadplant is een kruiper. De dunne, vlezige stengels groeien horizontaal uit en wortelen op de knopen (de iets verdikte plekken waar de bladeren aan de stengel zitten), waardoor de plant in de natuur een aaneengesloten tapijt kan vormen. De bladeren blijven klein: 1 tot 4 centimeter lang en ongeveer 1,5 centimeter breed. Aan de bovenzijde zijn ze meestal groen, aan de onderzijde vaak roodachtig tot paars.
1.3 Stamboom en verwante kamerplanten
De schildpadplant hoort bij de Commelinaceae, de commelinafamilie. Ook Tradescantia, het geslacht waartoe veel vaderplanten behoren, valt daaronder. Callisia en Tradescantia zijn nauw verwant; verschillende soorten zijn in het verleden dan ook van het ene naar het andere geslacht verhuisd. Binnen Callisia is de forse Callisia fragrans een opvallend anders groeiende verwant.
De familienaam gaat terug op het geslacht Commelina, genoemd naar de Nederlandse botanici Jan en Caspar Commelin. Aan die naam hangt een wat apart verhaal: de twee grote kroonblaadjes van een Commelina-bloem zouden voor de twee botanici staan en een kleiner derde kroonblaadje voor een minder succesvolle naamgenoot. Het is onzeker of dit daadwerkelijk zo is.
1.4 Soorten en kweekvormen
Het geslacht Callisia is betrekkelijk bescheiden; het telt een kleine twintig soorten. De meeste daarvan zie je zelden of nooit in de handel. Als kamerplant is C. repens een van de bekendste, en van deze soort zijn verschillende groene en bonte kweekvormen in omloop.
1.4.1 Kweekvormen
In de winkel kom je zowel groene als bonte kweekvormen tegen. De verzorging is grotendeels hetzelfde, al hebben bonte planten meer licht nodig om compact en goed op kleur te blijven. Deze namen zie je in de handel het vaakst:
- Callisia repens ‘Turtle’: een compacte groene vorm met kleine donkergroene bladeren en vaak een paarse onderzijde. In de winkel staat hij geregeld zonder cultivarnaam als schildpadplant.
- C. repens ‘Rosato’: bont blad in groen, roze en roomwit, vaak met een wijnrode onderzijde. Bij voldoende licht wordt het roze duidelijker.
- C. repens ‘Bianca’: kleine bladeren met een groene, roomwitte en roze bonte tekening.
- C. repens ‘Gold’: een geelgroene tot goudgele vorm, vaak met een roodpaarse onderzijde.
Neem ‘roze’ handelsnamen niet te letterlijk. Vooral ‘Pink Lady’ en ‘Pink Panther’ worden voor verschillende bonte planten gebruikt. ‘Rosato’ heeft wél een goed vastgelegde identiteit: deze cultivar werd in 2013 in een kas in Sappemeer ontdekt als spontane mutatie aan een ‘Turtle’. Kijk bij aankoop daarom vooral naar de plant zelf en niet alleen naar het etiket.
Hoeveel roze, roomwit of geel je uiteindelijk te zien krijgt, hangt sterk af van de standplaats. Een bonte cultivar die te donker staat, valt vaak terug naar groen en wordt bovendien slungelig. Zie daarvoor het kopje Standplaats hieronder.
1.4.2 Overige Callisia-soorten
Naast de schildpadplant kom je soms nog enkele andere callisia’s tegen. Ze verschillen duidelijk in uiterlijk en verzorging; we behandelen ze daarom elk in een eigen artikel.
Callisia fragrans is een forse soort uit Mexico met veel grotere bladeren dan de schildpadplant. De bladeren staan in rozetten en de plant maakt lange uitlopers waaraan nieuwe rozetten ontstaan. Daardoor oogt hij heel anders dan de fijnbladige C. repens.
Callisia gentlei var. elegans, ook bekend onder het synoniem Callisia elegans, groeit van nature van Zuid-Mexico tot Honduras. De eivormige tot lancetvormige bladeren zijn donkergroen met fijne witte lengtestrepen en hebben vaak een paarse onderzijde. De plant kan kruipen of afhangen en doet het daardoor goed in een hangpot; bij te weinig licht wordt de tekening minder duidelijk en groeit hij slordiger en minder compact.
Callisia navicularis werd vroeger tot Tradescantia gerekend, als Tradescantia navicularis, en illustreert daarmee hoe dicht beide geslachten bij elkaar liggen. De soortnaam betekent ‘bootvormig’: de dikke, vetplantachtige blaadjes vouwen zich als een scheepje dubbel. De soort komt uit drogere streken van Mexico en verdraagt daardoor meer droogte dan de schildpadplant.
2. Verzorging schildpadplant (Callisia repens)

Bij de verzorging van de schildpadplant zijn vooral licht en drainage belangrijk. De soort groeit graag in helder, gefilterd licht en verdraagt kortdurende droogte beter dan langdurig natte potgrond.
2.1 Water geven
De vlezige bladeren en stengels slaan wat water op, maar de schildpadplant groeit het mooist als de potgrond niet te lang kurkdroog blijft. Laat de bovenste laag tussen twee gietbeurten licht opdrogen en geef daarna opnieuw water. Zorg dat overtollig water uit de pot kan lopen, want langdurig natte grond vergroot de kans op wortel- en stengelrot. Hoe vaak het precies nodig is om water te geven, hangt sterk af van temperatuur, licht, potmaat en potgrond. In de lente en zomer drinkt de plant meer; in de winter laat je de potgrond beter wat verder opdrogen voordat je opnieuw giet.
2.2 Temperatuureisen
De schildpadplant is een warmteminnende soort en verdraagt geen vorst. Een gewone kamertemperatuur van ongeveer 18 à 24 °C is prima. Houd hem bij voorkeur boven circa 10 à 12 °C. Zet je de plant in de zomer buiten, haal hem dan ruim voor koude nachten weer naar binnen.
2.3 Standplaats
Hoe compact en kleurrijk de schildpadplant blijft, hangt sterk af van de hoeveelheid licht, vooral bij de bonte vormen. Zet hem op een heldere plek met veel diffuus licht, eventueel met wat ochtend- of avondzon. Wat directe zon kan zelfs gunstig zijn: bij de roze en bonte cultivars komen de kleuren dan sterker naar voren. Vermijd alleen de felle middagzon achter glas, die de blaadjes kan verbranden.
Te weinig licht is in de praktijk het grotere probleem. Een bonte schildpadplant die te donker staat, verliest een deel van zijn kleur en groeit slungelig uit, met grotere afstanden tussen de blaadjes. Zie je dat gebeuren, zet de plant dan lichter of knip de uitgerekte stengels terug (zie het kopje Snoeien hieronder).
2.4 Voeding
De schildpadplant heeft maar weinig voeding nodig. Geef in het groeiseizoen ongeveer eenmaal per maand vloeibare kamerplantenvoeding volgens de aanwijzingen op de verpakking. In de donkere maanden, wanneer de groei duidelijk vertraagt, kun je het bemesten sterk verminderen of tijdelijk achterwege laten.
2.5 Verpotten
Door de kruipende groeiwijze doet de schildpadplant het goed in een brede pot, schaal of hangpot. Verpot bij voorkeur in de lente, wanneer de kluit duidelijk vol wortels zit of de potgrond aan vervanging toe is. Gebruik een luchtig, goed doorlatend mengsel, bijvoorbeeld kamerplantenpotgrond met extra perliet of fijn grit. Kies het liefst een pot met watergaten.
Een oudere schildpadplant die kaal en slungelig is geworden, knap je vaak gemakkelijker op met verse stekken dan met een grotere pot. Zet enkele nieuwe stekken bij elkaar zodat je direct een volle plant krijgt; de details lees je bij het kopje Vermeerderen verderop in dit artikel.
2.6 Snoeien

Knip de toppen van lange stengels regelmatig terug als je de plant goed compact en vol wilt houden. Het snoeimateriaal kun je meteen gebruiken als stek (zie het kopje Stekken hieronder). De stengels zijn breekbaar en knappen gemakkelijk af; afgebroken stukjes kun je eveneens laten wortelen.
2.7 Vermeerderen
De schildpadplant laat zich het gemakkelijkst vermeerderen met stengelstekken. Zaaien kan ook, maar is in de huiskamercultuur minder aanbevelenswaardig. We bespreken beide methoden hieronder.
2.7.1 Stekken
Knip een stengeltje met enkele knopen af, verwijder eventueel de onderste blaadjes en steek het in licht vochtige potgrond of zet het in een glaasje water. Op de knopen vormen zich doorgaans snel wortels. In de lente en zomer gaat dat het vlotst. Zet meerdere stekjes in dezelfde pot; zo krijg je sneller een volle plant. Stekpoeder is niet nodig.
2.7.2 Zaaien
Na de bloei kan Callisia repens kleine zaaddoosjes vormen. Zaad is in de handel echter nauwelijks te krijgen, en zaailingen van bonte cultivars leveren zelden een betrouwbare kopie van de moederplant op. Wil je meer schildpadplanten, dan zijn stekken eenvoudiger en voorspelbaarder.
2.8 Bloeiwijze

Callisia repens maakt kleine bloemen met drie kroonblaadjes, meestal wit. Ze verschijnen in groepjes in de bladoksels van opstijgende bloeistengels, vooral in het late voorjaar en de zomer. De bloemen zijn bescheiden; de schildpadplant wordt om zijn blad gehouden.
2.9 Ziektes en plagen
Rot door langdurig natte potgrond is het belangrijkste verzorgingsprobleem; onder het kopje Water geven kwam dat al aan de orde. Worden stengels zacht, glazig of donker en zakken ze weg, knip dan gezonde toppen af en gebruik die als stek in verse, luchtige potgrond. Gooi aangetast materiaal weg.
Verder kun je insecten bij een kleine aantasting vaak afspoelen of handmatig verwijderen. Gebruik je een bestrijdingsmiddel, kies dan alleen een middel dat voor kamerplanten binnenshuis is toegelaten en volg het etiket. Bij de schildpadplant gaat het meestal om:
- spint, herkenbaar aan fijne webjes en lichte stipjes op het blad;
- wolluis, met witte, wasachtige plukjes tussen de dicht op elkaar staande blaadjes;
- bladluis, vooral in groepjes op jonge scheuten.
2.10 Overige tips bij de verzorging
Let daarnaast op de volgende praktische punten:
- De stengels zijn breekbaar; verplaats de plant voorzichtig.
- Verliest een bonte plant zijn kleur, dan is te weinig licht vaak de oorzaak. Zet hem lichter (zie het kopje Standplaats hierboven).
- Wordt de plant na verloop van tijd kaal van onderen, knip hem dan terug en zet enkele verse stekken in de pot om hem te verjongen.
2.11 Giftigheid voor mens en huisdier
Over de veiligheid voor huisdieren spreken de bronnen elkaar tegen. De toonaangevende plantendatabank van North Carolina State University behandelt Callisia repens als giftig voor onder meer honden en katten en noemt huid- en maag-darmirritatie. Tegelijk wordt dezelfde soort in onze contreien speciaal onbehandeld gekweekt en verkocht als voerplant voor reptielen, vogels en knaagdieren.
De wetenschappelijke literatuur maakt die tegenstrijdigheid niet meteen kleiner. Er is een goed beschreven geval van een hond met een ernstige allergische reactie op bladextract van Callisia fragrans, een andere soort uit hetzelfde geslacht, maar dat bewijst niet dat het eten van C. repens dezelfde reactie geeft. We noemen de schildpadplant daarom niet zonder meer ‘veilig’ of ‘giftig’ voor huisdieren. Knabbelt je hond of kat graag aan planten, zet de schildpadplant dan voor de zekerheid buiten bereik. Wil je C. repens bewust als voer aanbieden, gebruik dan alleen planten die daarvoor zijn geteeld en dus niet als gewone sierplant met gewasbeschermingsmiddelen zijn behandeld.
Ook bij mensen kan het sap de huid of de mond irriteren. Heb je een gevoelige huid en snoei of stek je veel, dan zijn handschoenen een eenvoudige voorzorg.
3. Schildpadplant (Callisia repens) kopen: waar moet je op letten en waar kan het?

Schildpadplanten zijn geregeld te koop bij tuincentra, plantenwinkels en webwinkels. Kies een vol, compact exemplaar met stevige stengels en vermijd planten met zachte, glazige of donker verkleurde stengels; dat kan op rot wijzen. Bij een bonte cultivar is een duidelijke bladtekening een goed teken. Grote afstanden tussen de blaadjes wijzen erop dat de plant te donker heeft gestaan.
Omdat de plant zich zo gemakkelijk laat stekken, kom je met één potje al een heel eind. Je kunt ook een stekje vragen aan iemand die de plant al heeft, want stekmateriaal is vaak ruim beschikbaar bij eigenaren van een schildpadplant.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.
