
Callisia navicularis is een lage, kruipende kamerplant uit Mexico, met dikke, bootjesvormige blaadjes die als dakpannen in twee rijen over de stengel liggen. Geef je hem veel licht en spaarzaam water, dan groeit deze vetplantachtige callisia mooi compact, en word je in de zomer beloond met opvallende roze bloemen. Hoe zorg je bij Callisia navicularis voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
1. Inleiding: wat is Callisia navicularis voor plant?
De blaadjes van deze plant zijn in de lengte dubbelgevouwen, met een scherpe kiel aan de onderkant en een spits, iets naar buiten gebogen puntje. Daarmee lijken ze op kleine bootjes, en precies daar komt de soortnaam vandaan: navicula is Latijn voor ‘scheepje’. Ze staan in twee rijen tegenover elkaar en overlappen elkaar dakpansgewijs, zodat een bebladerde stengel eruitziet als een gevlochten koordje. De Engelse naam chain plant, ‘kettingplant’, slaat op datzelfde beeld.
Die laatste naam is trouwens niet exclusief voor deze soort: ook Callisia fragrans gaat in het Engels als chain plant door het leven, en een Nederlandse naam heeft geen van beide. Over de geslachtsnaam Callisia, van het Griekse kallos (‘schoonheid’), schreven we uitgebreider in ons artikel over de schildpadplant.
Belangrijker als je hem wilt kopen: deze soort stond lange tijd bekend als Tradescantia navicularis, en onder die naam wordt hij nog altijd verkocht. Hij verhuisde pas in 1983 naar het geslacht Callisia. Kom je in een tuincentrum of online een Tradescantia navicularis tegen, dan heb je dus gewoon de plant van dit artikel te pakken.
1.1 Habitat en herkomst
C. navicularis is binnen het geslacht een uitgesproken droogteliefhebber. Van nature komt hij uitsluitend in Mexico voor en groeit hij vooral in woestijngebieden. Dat verklaart de vlezige blaadjes, waarin de plant water opslaat, en zijn voorkeur voor een luchtig potgrondmengsel dat tussen gietbeurten goed kan opdrogen.
1.2 Groeiwijze
De plant maakt twee soorten scheuten, en dat is aan een volgroeid exemplaar goed te zien. Om te beginnen zijn er de korte, dicht bebladerde scheuten: daar liggen de blaadjes zo strak over elkaar dat je van de stengel niets meer ziet. Daarnaast groeien er lange, dunne uitlopers die over de potrand hangen of over de grond kruipen, met flinke afstanden tussen de bladeren. Aan het eind daarvan verschijnen de bloemen, en waar zo’n uitloper de grond raakt, vormt hij wortels en een nieuwe plant.
De blaadjes zelf worden ongeveer drie centimeter lang en twee centimeter breed en zijn stevig en vlezig. Aan de bovenkant zijn ze bronsgroen en aan de onderkant paars gestreept; langs de randen zitten fijne haartjes. De plant blijft laag en kruipend; vooral de lange uitlopers zorgen ervoor dat hij zich breed uitspreidt of ver over de potrand kan hangen.
Hoe hij er precies uitziet, hangt sterk af van de omstandigheden – sterker dan bij de meeste kamerplanten. Op een lichte, droge plek staan de blaadjes kort op elkaar en kleurt de plant roodbruin tot dieppaars. In de schaduw, met regelmatig water, rekken de stengels en blijft alles frisgroen. Twee exemplaren van dezelfde soort kunnen daardoor op het eerste gezicht op twee verschillende planten lijken; vergelijk ook de foto bovenaan dit artikel met die bij het kopje Kopen onderaan.
1.3 Stamboom en verwante kamerplanten
Callisia navicularis hoort tot de Commelinaceae, de commelinafamilie, net als de schildpadplant (Callisia repens) en Tradescantia, de vaderplant.
Bij deze soort zie je de familiekenmerken onder meer terug in de bloem, met drie kroonblaadjes, en in de bladvoet die de stengel omsluit. Binnen Callisia is C. navicularis tegelijk de meest vetplantachtige soort die je als kamerplant tegenkomt. In uiterlijk én verzorging staat hij daardoor verder van de overige callisia’s af dan je op grond van de geslachtsnaam zou verwachten.
1.4 Soorten en kweekvormen
Gangbare cultivars of bonte kweekvormen kom je bij deze soort niet tegen: in de handel gaat het vrijwel altijd om de gewone soort.
1.4.1 Overige Callisia-soorten
De schildpadplant (C. repens), Callisia gentlei var. elegans en Callisia fragrans behandelen we in afzonderlijke artikelen, aangezien de verzorging en het uiterlijk onderling behoorlijk verschillen.
2. Verzorging Callisia navicularis
Geef deze plant de verzorging van een vetplant: veel licht, een snel doorlatend mengsel en tussen de gietbeurten tijd om op te drogen. Daarmee blijft hij compact en verklein je de kans op rot. We bespreken hieronder de belangrijkste aandachtspunten.
2.1 Water geven
Geef bij een gietbeurt royaal water, tot het onder uit de pot loopt, en giet de schotel daarna leeg. Laat de potgrond vervolgens goed opdrogen voor je opnieuw giet. In een warme, lichte groeiperiode is dat grofweg eens in de één tot twee weken, maar kijk liever naar de potgrond dan naar de kalender.
In de winter groeit de plant langzamer en heeft hij duidelijk minder water nodig. Zeker op een koelere plek kunnen er gemakkelijk enkele weken tussen twee gietbeurten zitten. Houd de wortels in elk geval niet langdurig vochtig; een lichte, relatief droge overwintering helpt bovendien om de compacte groei en paarse bladkleur te behouden.
2.2 Temperatuureisen
Een gewone huiskamertemperatuur van grofweg 18 à 24 °C bevalt deze plant prima. Een koelere overwintering kan ook, zolang je dan extra zuinig bent met water. Houd hem als kamerplant bij voorkeur boven ongeveer 10 °C; vorst verdraagt hij niet. Zie ook het kopje Verzorging als kuipplant verderop in dit artikel.
2.3 Standplaats
Callisia navicularis verlangt veel licht. Kies een zeer lichte plek, liefst met enkele uren ochtend- of avondzon. Een oost- of westraam werkt goed; bij een zuidraam kan hij vlak bij het raam staan, zolang je een pas gekochte plant niet meteen in de felste middagzon zet. Bouw direct zonlicht geleidelijk op om te voorkomen dat de bladeren verbranden. Een dieppaars verkleurd, gewend exemplaar kan ook volle zon op het zuiden aan, al heeft-ie het liever net een tikje minder extreem.
Staat hij te donker, dan zie je dat aan lange stukken stengel tussen de bladeren, een slappere groei en een egaler groene kleur. Zet de plant lichter en knip sterk uitgerekte stengels eventueel terug (zie het kopje Snoeien hieronder).
2.4 Voeding
Bemest spaarzaam. Eens per maand in de lente en de zomer is genoeg, met cactus- of vetplantenvoeding of met gewone kamerplantenvoeding in een lagere dosering. In de herfst en de winter geef je geen voeding. Een te rijke verzorging zorgt voor langere, slappere scheuten.
2.5 Verpotten
Gebruik een luchtig, snel doorlatend mengsel, bijvoorbeeld cactus- en vetplantengrond of gewone potgrond met een flinke hoeveelheid perliet of grof zand. Gewone potgrond blijft binnenshuis al snel te lang nat.
Verpot bij voorkeur in de lente. Het zal overigens zelden nodig zijn, want de planten groeien niet zo snel en ze stellen lage eisen aan het potgrondmengsel. Een brede, niet onnodig diepe pot of schaal past goed bij de lage, kruipende groeiwijze. Wordt een oud exemplaar kaal in het midden, dan kun je hem ook verjongen met een paar verse stekken in dezelfde pot (zie het kopje Vermeerderen hieronder).
2.6 Snoeien
Snoeien is niet noodzakelijk, maar je kunt de plant er wel compact mee houden. Knip je de toppen van korte scheuten af, dan kan hij lager op de stengel opnieuw uitlopen. De lange uitlopers kun je laten hangen of terugknippen. Houd er rekening mee dat de vlezige stengels vrij gemakkelijk breken; de afgeknipte stukken kun je meestal prima als stek gebruiken.
2.7 Vermeerderen
Stekken is voor de huiskamertuinier de gebruikelijkste manier om deze plant te vermeerderen. Voor de volledigheid bespreken we hieronder ook het zaaien.
2.7.1 Stekken
Knip in de lente of de zomer een stengeltje af met een paar knopen (de plaatsen waar bladeren aan de stengel zitten) en verwijder de onderste blaadjes. Laat het snijvlak eerst een dag drogen en zet de stek daarna in een luchtig, licht vochtig grondmengsel; zaai- en stekgrond of cactusaarde is bijvoorbeeld prima. Houd de grond tijdens het bewortelen eerder aan de droge kant dan voortdurend nat.
Waterstekken kan ook. Pot de stek op zodra er een bruikbaar bosje wortels is gevormd en laat de potgrond daarna niet langdurig nat blijven. Nog eenvoudiger is afleggen: leg een uitloper op de grond, houd hem op zijn plek met eventueel net wat aarde over de stengel en knip hem pas van de moederplant los als hij zelf wortels heeft gemaakt.
2.7.2 Zaaien
Zaad is bij ons nauwelijks te krijgen, dus zaaien is alleen aan de orde als je toevallig aan vers zaad komt. Zaai het dan meteen: strooi het op een luchtig, licht vochtig zaaimengsel, dek het nauwelijks af en houd het op een lichte plek van ongeveer 20 à 25 °C. Laat de aarde tijdens het kiemen niet uitdrogen, maar ook niet doorweekt raken. Zodra de zaailingen een paar blaadjes hebben, kun je ze apart oppotten en verder als volwassen planten behandelen.
2.8 Bloeiwijze

Voor een callisia bloeit C. navicularis opvallend uitbundig. In de zomer verschijnen aan de uiteinden van de lange uitlopers bloemen met drie lila tot felroze kroonblaadjes. Ze zijn niet groot, maar steken duidelijk af tegen het compacte blad.
Je moet er wel op tijd bij zijn: elke bloem gaat maar één dag mee. Hij gaat in de vroege ochtend open en sluit zich in de loop van de middag. Omdat over een langere periode steeds nieuwe knoppen kunnen opengaan, kan de bloei als geheel toch weken aanhouden. Een zeer lichte standplaats geeft de beste kans op bloemen (zie het kopje Standplaats hierboven).
2.9 Ziektes en plagen
Een zachte, glazige of bruine stengelvoet wijst bij deze droogteminnende soort meestal op rot door grond die te lang nat blijft. Neem gezonde, stevige toppen als stek en gooi het aangetaste deel weg.
De soort geldt als weinig gevoelig voor plagen, maar tussen de dicht opeenliggende blaadjes zijn problemen soms lastig te zien. Let vooral op wolluis in de bladoksels, spint bij warme, droge omstandigheden en bladluis op jonge, sappige scheuten en bloemstelen. Bestrijd een aantasting zodra je die opmerkt. Gebruik alleen een middel dat voor gebruik binnenshuis is toegelaten en volg de aanwijzingen op het etiket; bij een hardnekkige aantasting is opnieuw beginnen met schone stekken vaak de beste oplossing.
2.10 Verzorging als kuipplant
Buiten profiteert C. navicularis van het extra licht. Zet hem pas naar buiten als de nachttemperaturen bestendig boven ongeveer 10 °C blijven en laat hem geleidelijk wennen aan de zon. Enkele uren ochtend- of avondzon zijn een goede start.
Laat de pot liever niet dagenlang in de regen staan. Zet hem zo nodig onder een afdakje. Haal de plant in het najaar weer naar binnen voordat de nachttemperaturen structureel onder ongeveer 10 °C zakken.
2.11 Overige tips bij de verzorging
Nog een paar praktische punten:
- Deze planten komen het beste uit als ze op een verhoging staan. Dan kunnen de uitlopers vrij hangen.
- Geef die uitlopers de ruimte: ze breken gemakkelijk af als de pot op een drukke plek staat waar je er regelmatig tegenaan stoot.
- Blijft de plant egaal groen terwijl je op paars had gehoopt, kijk dan eerst naar het licht. Een zeer lichte standplaats bevordert de rood- tot paarstinten.
3. Callisia navicularis kopen: waar moet je op letten en waar kan het?

Deze plant hoort niet tot het standaardassortiment in tuincentra. Zoek bij vetplantenkwekers en gespecialiseerde webwinkels, op plantenbeurzen en bij liefhebbers onderling. Kijk daarbij ook onder Tradescantia navicularis: die oude naam wordt in de handel nog steeds gebruikt.
Waar je op moet letten bij de aankoop:
- Stevige stengels en blaadjes. Zachte, glazige of bruine plekken aan de voet wijzen op rot; zo’n exemplaar kun je beter laten staan.
- Let op hoe dicht de blaadjes op de korte scheuten staan. Zitten daar grote kale stukken stengel tussen, dan heeft de plant te donker gestaan.
- Schone blaadjes, zonder witte propjes wolluis tussen de overlappende bladvoeten.
- Bestel hem in de winter alleen als de verzender de plant tegen kou inpakt; bij (nacht)vorst kun je de verzending beter uitstellen.
Schrik niet als het exemplaar dat je thuisbezorgd krijgt er anders uitziet dan op de foto in de webwinkel: groener en langer gerekt, of juist roodbruiner en gedrongener. Zoals we bij het kopje Groeiwijze beschreven, reageert deze soort sterk op licht en water. De nieuwe groei past zich aan de omstandigheden op je eigen standplaats aan.
Tot slot iets over huisdieren. Over de giftigheid van C. navicularis zelf is weinig betrouwbaars bekend. Van andere planten uit de commelinafamilie, waaronder Callisia fragrans en verschillende Tradescantia-soorten, zijn wel huidreacties bij honden beschreven. Laat huisdieren er daarom liever niet aan knabbelen en zet de plant buiten hun bereik. De bredere discussie over callisia’s bespreken we in ons artikel over de schildpadplant.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.
