
Callisia gentlei var. elegans is een lage, kruipende kamerplant uit Zuid-Mexico en Midden-Amerika, met donkergroen, fluweelzacht blad waarover fijne witte strepen in de lengte lopen. De onderzijde van het blad is diep paars. De plant werd vroeger als eigen soort beschreven onder de naam Callisia elegans; die naam geldt tegenwoordig als synoniem en wordt in Nederland en België nog geregeld als handelsnaam gebruikt. Hoe zorg je bij Callisia gentlei var. elegans voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
1. Inleiding: wat is Callisia gentlei var. elegans voor plant?
Wat deze plant bijzonder maakt, is het blad. De lancetvormige, tamelijk dikke blaadjes zijn donker olijf- tot grijsgroen, met een serie fijne, zilverwitte strepen die keurig in de lengterichting lopen, als een fijn krijtstreepje. Aan de onderkant zijn ze diep purperpaars. Strijk je er met een vinger overheen, dan voelt het blad zacht en een beetje fluwelig; het is bedekt met heel korte haartjes. Die combinatie van streping en fluweel maakt Callisia gentlei var. elegans meteen herkenbaar.
Een echte Nederlandse naam heeft de plant niet. In het Engels heet hij striped inch plant, ‘gestreepte duimplant’. De geslachtsnaam Callisia gaat terug op het Griekse kallos, ‘schoonheid’; daarover schreven we uitgebreider in ons artikel over de schildpadplant. De variëteitsaanduiding elegans betekent ‘sierlijk’, en gentlei verwijst naar Percy H. Gentle (1890–1958), een plantenverzamelaar uit Belize.
Een belangrijke opmerking over de naam. Op een flink aantal Nederlandse websites en in sommige (web)winkels staat de plant onder het synoniem Callisia elegans beschreven als ‘de schildpadplant’, compleet met een foto van kleine, ronde blaadjes. Dat is een verwisseling die zich in de loop der jaren over het hele Nederlandse web heeft verspreid. De schildpadplant is Callisia repens, een andere soort met heel ander blad. Zoek je de gestreepte, fluwelige plant die we in dit artikel beschrijven, dan moet je dus verder kijken dan de naam op het etiket (zie ook het kopje Kopen verderop in dit artikel).
1.1 Habitat en herkomst
Callisia gentlei komt van nature voor in het zuiden van Mexico, Guatemala, Belize en Honduras. De variëteit elegans is bekend uit de Mexicaanse deelstaten Oaxaca en Chiapas en verder uit Guatemala en Honduras. De soort groeit onder meer langs beken en op rotsen in vochtig bos, op ongeveer 300 tot 1400 meter hoogte. Voor de verzorging is dat goed om te weten: de plant wil veel licht zonder de felste zon, en een luchtige grond die vocht vasthoudt maar overtollig water snel afvoert.
1.2 Groeiwijze
De plant blijft laag – ongeveer vijftien centimeter – maar de stengels kunnen veel verder uitgroeien. Ze kruipen over de grond en kunnen op de knopen (de verdikte plekjes waar de blaadjes aan de stengel zitten) wortels vormen, zodat op den duur een mat ontstaat. In een hangpot groeien de stengels over de rand; een lengte van grofweg een halve tot een hele meter is mogelijk.
De bladeren staan afwisselend langs de stengel en omvatten die met een schedeachtige voet, een typisch kenmerk binnen de commelinafamilie. Ze zijn een stuk groter dan de blaadjes van de schildpadplant: meestal enkele centimeters lang, lancetvormig en spits. De stengels ogen stevig, maar breken vrij gemakkelijk af.
1.3 Stamboom en verwante kamerplanten
Callisia gentlei var. elegans hoort tot de Commelinaceae, de commelinafamilie, net als de schildpadplant (Callisia repens) en Tradescantia, de vaderplant. Callisia en Tradescantia zijn binnen die familie nauw verwant; over die verwantschap en de plaats van het geslacht schreven we uitgebreider in ons artikel over de schildpadplant.
Voor deze plant is vooral zijn eigen naamgeschiedenis van belang. Hij werd in 1958 beschreven als eigen soort, Callisia elegans, en later als variëteit ondergebracht bij Callisia gentlei. Tegenwoordig geldt Callisia gentlei var. elegans als de geaccepteerde botanische naam en Callisia elegans als synoniem. Kamerplantenverkopers gaan daar wat slordig mee om; beide namen zijn nog in gebruik. In oudere literatuur duikt daarnaast de naam Setcreasea striata op voor dezelfde gestreepte plant.
1.4 Variëteiten
Van Callisia gentlei worden drie variëteiten onderscheiden: var. gentlei, var. elegans en var. macdougallii. Als kamerplant kom je vooral var. elegans tegen. Gangbare cultivars van deze variëteit zijn niet bekend; in de handel wordt doorgaans de variëteit zelf aangeboden. De witte lengtestrepen horen dus bij de plant en zijn geen bonte cultivarvorm.
1.4.1 Overige Callisia-soorten
Naast Callisia gentlei var. elegans behandelen we nog drie callisia’s die je als kamerplant kunt tegenkomen: de schildpadplant (C. repens), Callisia navicularis en Callisia fragrans. Ze verschillen onderling behoorlijk in groeiwijze en verzorging.
2. Verzorging Callisia gentlei var. elegans

Dit is een gemakkelijke plant, met twee bekende valkuilen: te veel water en te weinig licht. Eén ding vraagt wat extra aandacht, en dat is het blad zelf. Doordat het blad behaard is, blijven waterdruppels er relatief lang op liggen; dat vergroot de kans op vlekken en aantasting door ziekteverwekkers.
2.1 Water geven
Houd de potgrond licht vochtig, maar laat de bovenste laag tussen twee gietbeurten opdrogen. In de lente en de zomer komt dat vaak neer op ongeveer eenmaal per week, in de winter op duidelijk minder. Laat de kluit niet langdurig kletsnat staan, want dan neemt de kans op wortel- en stengelrot snel toe.
Giet bij voorkeur op de grond en niet over het blad. Op de korte haartjes blijven druppels lang hangen, en dat geeft ontsierende vlekken. Water geven via de schotel kan daarom handig zijn: laat de plant een korte tijd van onderaf drinken en giet daarna het water weg dat in de schotel achterblijft.
2.2 Temperatuureisen
Gewone kamertemperatuur, grofweg 18 à 24 °C, is prima. Een koude rustperiode heeft de plant niet nodig. Houd hem in de winter bij voorkeur boven 10 °C en zet hem niet in koude tocht. Vorst verdraagt hij niet. Een zomer buiten kan wel, op een beschutte plek in halfschaduw; binnen kan hij het hele jaar blijven staan.
2.3 Standplaats
Deze plant wil veel indirect licht en hooguit wat zachte ochtend- of avondzon. Een oostraam is vaak een goede plek; bij een zuid- of westraam kan wat afstand tot het glas nodig zijn. Bij voldoende licht blijft de groei compact en staan de bladeren dicht op elkaar. Vermijd langdurige felle middagzon achter glas, want die kan het blad verschroeien.
Te donker zie je vrij snel aan de groei. De stengels rekken, de afstanden tussen de bladeren worden groter en het geheel oogt slap en ijl. Gebeurt dat, zet de plant dan lichter en knip de uitgerekte stengels terug (zie het kopje Snoeien hieronder). Een gemiddelde luchtvochtigheid in huis is doorgaans voldoende. Sproeien is niet nodig; bij het behaarde blad kun je het beter achterwege laten.
2.4 Voeding
Geef in het groeiseizoen ongeveer eens per maand vloeibare voeding voor kamerplanten. Doseer liever voorzichtig dan royaal; bij weinig groei heeft de plant ook weinig extra voeding nodig. In de donkere wintermaanden kun je stoppen. Te veel mest kan zoutschade aan de wortels veroorzaken en zorgt voor slappe, langgerekte groei.
2.5 Verpotten
Een brede pot of hangpot past goed bij de kruipende groeiwijze. Verpot bij voorkeur in de lente, wanneer de wortels de pot duidelijk vullen of de potgrond aan vervanging toe is; bij een gezonde plant is dat vaak om de één à twee jaar. Gebruik een luchtig, goed doorlatend mengsel, bijvoorbeeld gewone potgrond voor kamerplanten met perliet of fijn grit erdoor. Kies altijd een pot met een drainagegat.
Een plant die na een paar jaar onderaan kaal is geworden, hoef je niet automatisch groter op te potten. Vaak knapt hij sneller op van een paar verse stekken die je terug in dezelfde pot zet (zie het kopje Vermeerderen hieronder).
2.6 Snoeien
Worden de stengels lang of kaal, knip dan de toppen terug. De plant vertakt onder de snoeiplek en blijft daardoor compacter. Snoei bij voorkeur in de lente of de zomer. Breekt er bij het verplaatsen een gezonde stengel af, bewaar hem dan gerust als stek (zie het kopje Stekken hieronder). Vergeeld of beschadigd blad kun je gewoon verwijderen.
2.7 Vermeerderen
Vermeerderen is bij deze plant eenvoudig. Als huiskamertuinier gebruik je in de praktijk stengelstekken.
2.7.1 Stekken
Knip in de lente of zomer een gezonde stengeltop van ongeveer 6 tot 8 centimeter af, met minstens een paar knopen. Haal de onderste blaadjes weg en zet de stek in vochtige potgrond of in een glaasje water. Op de knopen verschijnen doorgaans binnen enkele weken wortels. Pot een waterstek op zodra er een bruikbaar wortelstelsel is gevormd. Voor een volle plant kun je meteen meerdere stekken bij elkaar in één pot zetten.
Ook afleggen werkt gemakkelijk. Duw met een haarspeld of een gebogen stukje ijzerdraad een stengel die over de potgrond loopt tegen de aarde en laat hem aan de moederplant zitten. Zodra er op de knopen wortels zijn gevormd, kun je het bewortelde stuk afknippen en apart oppotten.
2.7.2 Zaaien
Zaad van deze plant is in de handel praktisch niet te vinden. Voor de gewone kamerplantenteelt is zaaien daarom geen zinvolle methode; met stengelstekken krijg je veel eenvoudiger een nieuwe plant.
2.8 Bloeiwijze
Aan de toppen van de stengels kunnen kleine witte bloemen verschijnen, bijeen in losse trosjes. Elke bloem heeft drie kroonblaadjes, zoals gebruikelijk binnen de commelinafamilie. De bloemen zijn bescheiden; de plant wordt vooral om het gestreepte blad gehouden. Daarbij geldt dat de plant binnenshuis niet heel vaak in bloei komt.
2.9 Ziektes en plagen
De meeste problemen ontstaan door een combinatie van te weinig licht en te natte potgrond (zie ook het kopje Water geven). Worden de stengels zacht, glazig of bruin bij de voet, laat de kluit dan eerst droger worden en controleer de wortels. Is de basis al aan het rotten, knip dan gezonde toppen af en begin daarmee opnieuw.
Deze kamerplant is doorgaans vrij probleemloos, maar let bij een verzwakt exemplaar vooral op deze bekende kamerplantplagen:
- Wolluis, vooral in bladoksels en rond de schedeachtige bladvoet.
- Spint, vooral bij warme, droge lucht.
- Bladluis, vooral op jonge, zachte scheuten.
Bij een zware aantasting kan het praktischer zijn om enkele schone, gezonde toppen te stekken en de oude plant weg te doen.
2.10 Overige tips bij de verzorging
Een paar praktische tips voor een nette, volle plant:
- Zet de plant hoog, bijvoorbeeld op een kast of in een hangpot. Zo hangen de stengels vrij en blijft ook de fraaie paarse onderkant van het blad goed zichtbaar.
- Stoffig blad kun je voorzichtig afborstelen met een zacht kwastje. Dat werkt bij de fijne beharing beter dan nat afnemen.
- Wordt één kant duidelijk voller dan de andere, draai de pot dan af en toe.
3. Callisia gentlei var. elegans kopen: waar moet je op letten en waar kan het?
In het gemiddelde tuincentrum vind je deze plant niet snel. Hij is vooral te koop bij gespecialiseerde webwinkels, waaronder aanbieders met een terrariumassortiment, bij stekkenhandelaren, op plantenbeurzen en via ruil- en verkoopplatforms voor liefhebbers. Vaak koop je een stek in plaats van een volle plant; dat is bij deze soort geen groot nadeel, omdat stengelstekken gemakkelijk bewortelen.
Het grootste risico bij de aankoop is dat je iets anders krijgt dan je denkt. Door de naamsverwarring die we in de inleiding beschreven, wordt de schildpadplant regelmatig onder het synoniem Callisia elegans aangeboden. Ga daarom af op de uiterlijke kenmerken van de plant, niet alleen op de naam:
- Blad van grofweg 5 tot 8 centimeter, lancetvormig en spits, met fijne witte lengtestrepen: dat past bij de plant van dit artikel.
- Kleine, ronde tot eivormige blaadjes van hooguit enkele centimeters lang, zonder streping of juist bont in roze en roomwit: dan heb je de schildpadplant te pakken.
- Wordt de plant aangeboden als Callisia elegans, dan kan het om Callisia gentlei var. elegans gaan. Ook de verouderde naam Setcreasea striata komt nog voor. Staat er alleen Callisia gentlei, controleer dan eveneens het blad: binnen die soort worden meerdere variëteiten onderscheiden.
Kijk verder naar wat je bij elke kamerplant zou controleren: stevige stengels zonder zachte of glazige plekken, compacte groei met korte afstanden tussen de bladeren en schone bladoksels zonder wolluis. Bestel je online, vermijd dan bezorging tijdens vorst of kies een verzender die de plant goed tegen kou verpakt; temperaturen rond of onder 10 °C zijn voor deze tropische plant ongunstig.
Tot slot de veiligheid voor mens en dier. Juist over Callisia gentlei var. elegans is weinig toxicologisch onderzoek beschikbaar. Van verwante Callisia-soorten en van andere leden van de commelinafamilie zijn wel huidreacties bij honden beschreven. Geef deze plant daarom niet aan dieren te eten en houd hem buiten bereik van huisdieren die graag aan planten knabbelen. Ook voor mensen is geen duidelijke soortspecifieke vergiftiging gedocumenteerd; krijg je sap op je huid, was het dan af en voorkom contact met ogen en mond.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.
