
Soms hangt er ineens een kleverige, glanzende druppel aan een bladsteel, bloeistengel of jong stukje stengel. Geen bladluis te zien, geen beschadiging, alleen zomaar een druppel. In veel gevallen gaat het om extraflorale nectar: nectar die niet in een bloem wordt gemaakt, maar ergens anders op de plant. Dat klinkt als een botanische omweg, want nectar kennen we vooral als beloning voor bestuivers. Toch hebben veel planten een goede reden om ook buiten de bloem suiker uit te delen. In dit artikel kijken we wat extraflorale nectar precies is, waarom planten er mieren en andere insecten mee lokken, en welke voorbeelden je in tuin, natuur en bij kamerplanten kunt tegenkomen.
1. Wat is extraflorale nectar precies?

Nectar is een waterige, suikerrijke oplossing met vooral sucrose, glucose en fructose, plus kleinere hoeveelheden aminozuren, mineralen en soms eiwitten of geurstoffen. Een nectarium is een klier die deze nectar afscheidt. In een bloem zit zo’n nectarium meestal precies op een plek waar een bestuiver langs meeldraden of stamper moet komen om bij zijn beloning te raken. Dat is de bekende nectar van bijen, vlinders en kolibries, met bestuiving als tegenprestatie.
Een extrafloraal nectarium zit buiten de bloem (‘extra’ betekent buiten; ‘floraal’ betekent bloem). Dat kan op verrassend veel plekken: op de bladsteel, aan de bladrand, op de onder- of bovenkant van het blad, op steunblaadjes, op jonge stengels, op schutbladeren, bij vruchtbeginsels of op de bloeistengel. Anders gezegd: het gaat hier om nectar die eigenlijk overal op de plant kan voorkomen – behalve in de bloemen.
Extraflorale nectariën zijn niet zeldzaam. Een groot overzicht in Annals of Botany telde bijna vierduizend beschreven soorten met extraflorale nectariën, verdeeld over meer dan honderd plantenfamilies. Waarschijnlijk is dat nog een onderschatting, omdat zulke kleine klieren gemakkelijk over het hoofd worden gezien. Ze komen vooral veel voor bij bedektzadigen, maar zijn ook bij enkele varens bekend. Binnen de bekende zaadplantenfamilies springen vooral de vlinderbloemenfamilie (Fabaceae), passiebloemenfamilie (Passifloraceae) en kaasjeskruidfamilie (Malvaceae) eruit.
Het opmerkelijkste detail is misschien wel dat extraflorale nectariën niet één keer zijn ontstaan en daarna telkens zijn doorgegeven. Ze zijn in de evolutie honderden keren onafhankelijk ontstaan, verdwenen en opnieuw opgedoken. Planten zijn kennelijk meermaals tot dezelfde conclusie gekomen: als je iets zoets kunt maken, kun je daar werkvolk mee inhuren. Maar meer daarover in ons artikel over convergente evolutie.
2. Waarom een plant nectar buiten zijn bloem maakt

De bestaansreden voor bloemennectar is vrij helder: suiker in ruil voor bestuiving. Bij nectar buiten de bloem ligt het anders. Daar staat geen meeldraad klaar, en een insect dat over een bladsteel loopt bestuift meestal niets. De belangrijkste verklaring is daarom niet voortplanting, maar verdediging. Extraflorale nectar trekt vooral mieren aan, en daarnaast ook wespen, zweefvliegen, lieveheersbeestjes, gaasvliegen en andere kleine bezoekers die op suiker afkomen.
Voor de plant is dat handig omdat veel van die bezoekers niet alleen snoepen, maar ook patrouilleren. Mieren lopen systematisch over bladeren, stengels en jonge groeipunten. Komen ze onderweg een rups, bladetende larve of zacht insect tegen, dan wordt die vaak verjaagd, gebeten, weggedragen of op een andere manier duidelijk gemaakt dat hij niet welkom is. De reden waarom is heel simpel: die mier wil de extraflorale nectar voor zichzelf. Ieder beestje dat die nectar probeert te bemachtigen, of die zelfs maar op andere manieren de plant belaagt, staat dan in de weg. De plant koopt dus geen bestuiving, maar beveiliging.
Dat heet indirecte verdediging. Doornen, bitterstoffen, taaie bladeren en giftig melksap zijn directe verdediging: de plant doet zelf onaangenaam. Extraflorale nectar is subtieler. De plant maakt een kleine suikerbetaling en laat een ander organisme het vuile werk doen. Ecologisch is dat een bijzonder effectief systeem. Zeker jonge bladeren en bloemknoppen, die zacht, eiwitrijk en kwetsbaar zijn, profiteren van extra beveiliging.
Daarmee is niet gezegd dat elk extrafloraal nectarium altijd alleen maar als mierenlokker werkt. Bij sommige planten kan nectar ook andere nuttige insecten voeden, mieren juist van de bloem weghouden, of in bepaalde omstandigheden vooral een restverschijnsel zijn van een oude aanpassing. Planten zijn zelden precies keurig genoeg georganiseerd om maar één functie per orgaan te hebben. Maar als grote lijn klopt hij goed: suiker buiten de bloem is meestal geen verspilling, maar een verdedigingsbudget.
3. Het klassieke voorbeeld: acacia’s en mieren

Het beroemdste voorbeeld komt uit Midden-Amerika, bij de gezwollen-doornacacia’s zoals Vachellia cornigera, vroeger meestal Acacia cornigera genoemd. Deze bomen hebben holle, opgezwollen doornen waarin mieren van het geslacht Pseudomyrmex wonen. De plant levert onderdak, extraflorale nectar uit klieren op de bladsteel en daarnaast kleine eiwit- en vetrijke voedsellichaampjes aan de bladtoppen, de zogenoemde Beltiaanse lichaampjes.
De mieren leveren in ruil daarvoor een verdediging die bepaald effectief – en agressief – is. Ze patrouilleren over de plant, vallen herbivoren aan, knippen soms concurrerende begroeiing weg en reageren op verstoring alsof ze zelf direct in hun voortbestaan worden bedreigd.
3.1 Van Belt naar Janzen
De Britse natuurkenner Thomas Belt beschreef de samenwerking tussen acacia’s en mieren al in 1874. Hij zag dat de mieren in de doornen woonden, dat ze agressief reageerden op verstoring, en dat de plant ze voedsel leverde. Dat was voor die tijd een opmerkelijk scherpe interpretatie: planten golden nog vaak als tamelijk passieve groene decorstukken, niet als organismen die andere soorten met voedsel konden sturen.
Bijna een eeuw later leverde Daniel Janzen het experimentele bewijs. In klassiek onderzoek uit 1966 liet hij zien dat acacia’s zonder hun mieren veel zwaarder werden aangevreten en slechter groeiden dan acacia’s met hun eigen mierengarnizoen. Daarmee werd de acacia-mierrelatie een schoolvoorbeeld van mutualisme: twee soorten die allebei voordeel hebben van dezelfde samenwerking.
3.2 Een contract met biochemische kleine lettertjes
Alsof holle doornen en suikerloketten nog niet genoeg waren, blijkt het systeem bij sommige acacia’s nog verfijnder. De gespecialiseerde mieren kunnen gewone sucrose minder goed verwerken dan veel andere mieren. Acacianectar is juist aangepast aan hun voedingsbehoefte, onder meer doordat sucrose in de nectar al wordt gesplitst in eenvoudiger suikers. Daarnaast is aangetoond dat eiwitten in de nectar, waaronder chitinase-achtige enzymen, de eigen suikerverwerking van de mier kunnen beïnvloeden.
Het gevolg is dat de mieren sterk afhankelijk worden van hun gastheer. De acacia levert niet alleen voedsel, maar ook voedsel waar haar eigen bewoners bijzonder goed op draaien. Wie het vriendelijk formuleert noemt dat specialisatie; wie het wat droger formuleert noemt het een contract dat lastig opzegbaar is. Evolutionair werkt het: een mier die niet weg kan, verdedigt de boom waarop hij woont meestal met overtuiging. Merk op dat het omgekeerd eigenlijk ook wel zo werkt: als de mieren besluiten te verhuizen, zou de gastacacia daar ernstig nadeel van ondervinden. Maar bijzonder genoeg neemt de boom wel duidelijk het voortouw in de relatie.
4. Extraflorale nectar in Nederlandse tuinen en bossen

Voor extraflorale nectar hoef je niet naar een tropisch oerwoud. In Nederlandse tuinen en parken kun je hem op heel gewone planten vinden, mits je weet waar je moet kijken. Een van de meest zichtbare voorbeelden is de kers. Bij zoete kers (Prunus avium), vogelkers (Prunus padus) en laurierkers (Prunus laurocerasus) zitten aan de bovenkant van de bladsteel, vlak bij de bladvoet, vaak één of twee kleine roodachtige of groenige bobbeltjes. Dat zijn extraflorale nectariën. Mieren – en wespen – weten deze goed te vinden.
Ook wikke-soorten (Vicia) hebben bekende extraflorale nectariën, meestal als donkere vlekjes op de steunblaadjes. Bonen, zoals stokboon en pronkboon (Phaseolus vulgaris en P. coccineus), kunnen suikerhoudende klieren bij de bladaanhechting dragen. Vlier (Sambucus nigra) wordt vaak genoemd als goed voorbeeld, met nectariën op jonge stengels en bladstelen. Bij valse acacia (Robinia pseudoacacia) en verschillende andere vlinderbloemigen past het verschijnsel mooi in de familie: vlinderbloemigen zijn wereldwijd de kampioenen van de extraflorale nectariën.
Een onverwachter voorbeeld is adelaarsvaren (Pteridium aquilinum). Jonge varenbladeren kunnen nectarachtige afscheiding produceren bij de basis van het blad. Charles Darwin schreef daar in 1876 al over. Dat is een aardig detail, omdat varens geen bloemen hebben en dus ook überhaupt geen bloemnectar kunnen maken. Extraflorale nectar is daarmee niet simpelweg een bloemtruc op de verkeerde plek, maar een breder plantkundig principe.
5. Welke kamerplanten doen dit ook?
In huis valt extraflorale nectar vooral op doordat hij plakt. Buiten is een mier er vaak snel bij; binnen blijft de druppel rustig zitten tot je hem toevallig een keer ontdekt. Sommige kamerplanten zijn hier vrij bekend om, andere zijn wat meer randgevallen.
Passiebloemen zijn de duidelijkste voorbeelden. Passiflora caerulea en veel andere Passiflora-soorten dragen nectariën op de bladsteel, vaak als twee of meer kleine, ronde knopjes. Bij sterk groeiende planten kunnen daar zichtbare druppels op verschijnen. Wie een passiebloem in pot of kuip heeft, kan de bladsteel net onder het blad bekijken; daar zit het systeem meestal niet eens verstopt.
Ook philodendrons verdienen een plek in dit artikel. Binnen de aronskelkfamilie zijn extraflorale nectariën niet algemeen, maar bij Philodendron zijn ze goed onderzocht. Ze kunnen voorkomen op jonge bladeren, scheutaanzetten en soms ook aan delen van de bloeiwijze. Voor de plantenbezitter vertaalt zich dat geregeld naar kleine heldere of amberkleurige druppeltjes op vaste plekken bij jong blad of jonge stengels. Het is dus niet altijd guttatie, en ook niet automatisch luis.

Bij Jatropha podagrica, de flessenplant, is het beeld iets ingewikkelder maar interessant genoeg om te noemen. De wolfsmelkfamilie (Euphorbiaceae) kent veel soorten met nectarklieren aan de overgang van bladsteel naar bladschijf of rond jonge bloeiwijzen. Bij jatropha’s zitten bovendien opvallende klieren in en rond de bloemstructuur. Kleverige, heldere druppels aan jonge bladvoeten, schutblaadjes of bloeistengels, en langs de stam (zie de afbeelding hierboven) passen dus goed bij nectarachtige afscheiding. Wit melksap na beschadiging is iets heel anders, en bij de jatropha bovendien giftig.
Sierasperges verdienen een voorzichtige voetnoot. Bij Asparagus falcatus en verwante sierasperges kun je regelmatig kleverige druppels op jonge scheuten of in bladoksels zien. Asparagus falcatus is een stevige, doornige klimmer uit bosranden, en past ecologisch prima in een wereld waar mieren en andere insecten over jonge scheuten lopen. De soort is alleen minder klassiek en minder uitgebreid beschreven als extraflorale-nectarplant dan bijvoorbeeld Passiflora of Philodendron. In een artikel voor kamerplanten plaatsen we hem daarom bij de randgevallen: aardig om te noemen, maar niet het schoolvoorbeeld.
Verder kom je extraflorale of vergelijkbare nectarafscheiding geregeld tegen bij hibiscus (Hibiscus rosa-sinensis), hoya’s, sommige orchideeën en Cissus-soorten zoals de oude kamerplant Cissus alata (vroeger vaak C. rhombifolia). Bij hoya is extra nuance nodig: de bloemen zelf produceren ook veel zoete nectar, soms zelfs genoeg om de bloem ervan te laten overlopen, dus niet elke druppel rond een bloeiende hoya is, strikt genomen, te classificeren als ‘extra’-floraal.
Pachira aquatica produceert trouwens ook extraflorale nectar; zie de afbeelding onder het kopje Wat is extraflorale nectar precies? hierboven.
6. Niet verwarren met guttatie of honingdauw
Extraflorale nectar wordt makkelijk verward met twee andere plakkerige of druppelige verschijnselen: guttatie en honingdauw. Het verschil zit vooral in plaats, samenstelling en gezelschap.
Guttatie is waterig plantensap dat aan de bladrand of bladpunt naar buiten komt, meestal ’s nachts of vroeg in de ochtend. Het zit vaak keurig langs de bladrand, vooral bij alocasia, monstera en andere tropische bladplanten. Guttatiedruppels zijn niet stroperig zoet, maar vooral waterig, en laten na opdrogen soms een mineraalrandje achter. Extraflorale nectar is dikker, kleveriger en zit op vaste klierplekken: bladsteel, bladvoet, schutblad, bloeistengel of jonge stengel.
Honingdauw komt niet van de plant zelf, maar uit insecten zoals bladluizen, dopluizen, schildluizen of wolluizen. Die zuigen plantensap en scheiden overtollige suikers uit. Honingdauw ligt daardoor vaak verspreid over meerdere bladeren, soms zelfs op meubels onder de plant. Je ziet dan meestal ook andere sporen: witte velletjes, schildjes, plakkerige plekken op onverwachte plaatsen, zwarte roetdauwschimmel of de plaag zelf. Bij extraflorale nectar is de afscheiding veel lokaler en herhaalt die zich steeds op dezelfde botanisch logische plek.
Proeven is geen goed determinatiemiddel, hoe verleidelijk het woord nectar ook klinkt. Kamerplanten kunnen behandeld zijn met middelen die je niet wilt binnenkrijgen, en sommige planten met nectarachtige druppels hebben giftig sap of irriterende weefsels. Gebruik liever je ogen, een doekje en eventueel een loep. Als je zelf wilt voelen of het sap kleverig is, spoel dan daarna je handen even af (trouwens sowieso een aanrader als het sap daadwerkelijk blijkt te kleven).
7. Drie aardige bijzonderheden

De eerste bijzonderheid is dat veel extraflorale nectariën niet altijd even hard werken. Bij sommige soorten neemt de nectarproductie toe na vraat of beschadiging. Dat is efficiënt: pas wanneer er aan het blad gegeten wordt, wordt de suikerkraan verder opengedraaid.
De tweede is dat nectarproductie vaak een dagritme heeft. Bij meerdere soorten piekt de afscheiding op tijden waarop mieren en andere bezoekers actief worden. De plant maakt dus niet zomaar in het wilde weg suiker, maar alleen als de doelgroep wakker is – opnieuw een voorbeeld van efficiëntie.
De derde bijzonderheid is dat sommige passiebloemen hun verdediging nog verder hebben opgevoerd. Een aantal Passiflora-soorten draagt kleine gele of ronde structuren op het blad die lijken op eieren van vlinders uit de groep die juist op passiebloemen leven. Het idee is dat een vlinder minder graag eitjes legt op een blad dat al bezet lijkt. In combinatie met extraflorale nectariën, die mieren aantrekken die echte eitjes en jonge rupsen kunnen aanvallen, is dat fors. Overigens doorzien de mieren die nepeitjes kennelijk, want anders zouden ze die alsnog aanvallen en daarmee het blad beschadigen, en dan is de plant er alsnog niet bij gebaat.
8. Wat je er zelf van merkt

Voor een kamerplant is extraflorale nectar op zichzelf geen probleem. Je hoeft daar niets tegen te doen, behalve af en toe schoonmaken als de nectardruppels op meubilair of andere ongewenste plaatsen vallen. Een vochtige doek met lauw water volstaat doorgaans.
Wel is het verstandig om even te controleren of het echt om nectar gaat. Kijk vooral naar de plaats. Komt de druppel steeds terug op een klein bobbeltje aan de bladsteel, een jonge bloeistengel of een vaste plek op jong blad, dan is extraflorale nectar waarschijnlijk. Zit de hele plant, inclusief willekeurige bladdelen, potrand en dergelijke, onder de plak, inspecteer dan op bladluis, schildluis, dopluis of wolluis.
In huis komen er meestal geen mieren langs om de beloning op te halen, en dat is in de woonkamer meestal wel zo fijn. Wel is het goed om je te realiseren dat mieren, en soms ook wespen en andere insecten die je liever buiten dan binnen hebt, sterk aangetrokken kunnen worden door extraflorale nectar. Als je kamerplant grote hoeveelheden aanmaakt, kun je het beste soms even met een doekje of keukenpapiertje in de weer om te voorkomen dat dergelijke ongewenste bezoekers de zoetigheid ontdekken.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.
