
De bekerplant (Nepenthes) is een fascinerende vleesetende kamerplant, waarvan de bladeren uitlopen in elegant gevormde bekers. Deze bekers lokken insecten met nectar en verteren ze vervolgens in een speciale vloeistof. Het is niet eenvoudig om het deze tropische plant in een gemiddelde huiskamer volkomen naar zijn zin te maken, maar geen liefhebber zal de moeite betreuren. Hoe zorg je bij bekerplanten voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
1. Inleiding: wat is de bekerplant (Nepenthes) voor plant?

Achter het fraaie uiterlijk van bekerplanten gaat een macabere werkelijkheid schuil. Aan de uiteinden van de bladeren bungelen sierlijke, vaak in prachtige rood- en groentinten gekleurde kannetjes, met een gladde rand, lokkende nectar en onderin een verteringsvloeistof die voor de nietsvermoedende insecten weinig goeds belooft. Daarachter zit bovendien een uitzonderlijke ecologie, met onder meer soorten die hun stikstof niet alleen uit gevangen insecten halen, maar zelfs uit boomspitsmuispoep en vleermuizenuitwerpselen. Daarover meer bij het kopje Bijzondere soorten verderop in dit artikel. Hoe deze planten leven, waar ze vandaan komen en welke soorten er allemaal zijn, bespreken we hieronder.
1.1 Habitat en herkomst
Nepenthes is een uitgebreid plantengeslacht: er zijn inmiddels ruim tweehonderd soorten bekend, en er komen nog regelmatig nieuwe bij. Het is het enige geslacht in zijn familie, de bekerplantfamilie of Nepenthaceae. Vleesetende bekerplanten uit de Nieuwe Wereld, zoals de welbekende trompetbekerplanten van het geslacht Sarracenia, behoren tot een totaal andere familie. Het overgrote deel van de Nepenthes-soorten komt voor in de tropische gebieden van Zuidoost-Azië. Het zwaartepunt van de soortenrijkdom ligt op Borneo, Sumatra, Sulawesi en de Filipijnen, waar talloze soorten endemisch zijn, dat wil zeggen dat ze alleen daar voorkomen, en nergens anders ter wereld. Het eigenlijke verspreidingsgebied is een stuk groter: het loopt van Madagaskar en de Seychellen in het westen tot Noord-Australië en Nieuw-Caledonië in het oosten, en tot Zuidoost-China, India en Sri Lanka in het noorden.
Binnen dat enorme verspreidingsgebied wordt traditioneel een onderscheid gemaakt tussen laagland- en hooglandsoorten. De laaglandsoorten houden van constant tropisch weer: heet overdag en niet veel koeler ’s nachts. De hooglandsoorten daarentegen, die op de hellingen van tropische bergen groeien vanaf hoogtes van 1.200 meter, willen overdag warmte gevolgd door een flink koudere nacht. Er is ook nog een tussencategorie, waar veel van de gangbare kamerplanthybriden onder vallen. Dit onderscheid in drie categorieën is voor de huiskamertuinier heel belangrijk: het bepaalt namelijk of een soort goed te houden is in een gewone woonkamer, of dat speciale zorg noodzakelijk is. Daarover meer bij het kopje Temperatuureisen verderop.
Wat voor habitat Nepenthes-soorten ook prefereren, ze hebben bijna allemaal één ding gemeen: ze groeien op extreem voedselarme bodems. Denk aan veengronden, of zelfs kale rotswanden. Vandaar ook de bijzondere dieetvoorkeuren van deze vleesetende planten. Met zo weinig stikstof, fosfor en kalium in de grond is het voor een plant onmogelijk om bij conventionele middelen te varen. Nepenthes heeft daar een even rechttoe-rechtane als lugubere oplossing voor gevonden: hij vangt zelf z’n voedingsstoffen.
1.2 Groeiwijze
De meeste Nepenthes-soorten zijn lianen: vrij slappe, kruidachtige tot halfverhoute klimplanten, die in de natuur tegen boomstammen en door het bladerdak klimmen. Sommige soorten kunnen vele meters lang worden – er bestaan naar verluidt bekerplanten van meer dan vijftien meter lang. Andere soorten blijven hun hele leven een lage rozet op de bosbodem, en weer andere groeien als epifyt hoog in de bomen, zonder zelfs maar wortelcontact met de grond. Wat al deze planten echter delen, is hoe hun bladeren zijn opgebouwd.
De eerste helft van een bekerplantenblad ziet er nog heel doorsnee uit. De middennerf van zo’n bladschijf loopt namelijk door, voorbij de bladpunt, in een smalle nerf of rank. Aan het uiteinde daarvan hangt vervolgens het meest opvallende onderdeel: de vangbeker. Botanisch is die beker dus onderdeel van één en hetzelfde blad.
Die vangbekers zijn ronduit fascinerend om gedetailleerd te bekijken. Bovenop zit een deksel of operculum, dat als een soort dakje boven de opening hangt en in het wild voorkomt dat regenwater de beker tot overlopens toe vult. Onder dat deksel ligt de eigenlijke opening van de beker, die wordt omzoomd door een opvallend gegroefde, glibberige, vaak felgekleurde rand. Dit is het peristoom, of in goed Nederlands de kraag, en de aanjager van het hele vangmechanisme. Op de onderzijde van het deksel en op het peristoom zitten kliertjes die nectar produceren, een zoete substantie die fungeert als lokmiddel. Insecten die op het peristoom landen om van de nectar te smikkelen, hebben echter een probleem: door de geribbelde, met een dunne waslaag bedekte structuur van de kraag verliezen ze gemakkelijk hun grip. Eenmaal in de beker beland, kunnen ze door eenzelfde gladde waslaag zo goed als niet meer omhoogklauteren. Onder in de beker staat een vloeistof, met daarin door de plant aangemaakte enzymen die de gevangen prooi langzaam afbreken tot opneembare voedingsstoffen. Bij sommige soorten is die verteringsvloeistof bovendien visco-elastisch – dermate plakkerig en slijmerig dat insecten zich er niet uit kunnen ontworstelen, of de randen van de beker nu glad en glibberig zijn of niet.
Bij de meeste soorten verschillen de bekers van een jonge, op de grond groeiende plant overigens behoorlijk van die van een volwassen, in de hoogte gegroeid exemplaar. De lagere bekers zijn doorgaans bol- tot urnvormig, feller gekleurd en uitgerust met opvallende vleugelachtige structuren langs de voorkant. De bovenste bekers, die hoger aan de liaan hangen, zijn doorgaans slanker en trechtervormig, en hebben vaak nog amper of geen vleugels. Dit verschil in vorm en bouw is vermoedelijk geen toeval. Waarschijnlijk lokken de lage bekers vooral kruipende insecten zoals mieren, terwijl de hangende, slanke bovenste bekers eerder ingericht zijn op vliegende insecten. Voor sommige soorten ligt het zelfs nog complexer; daarover zo dadelijk meer.
De werking en het verloop van het ‘vleeseten’ van bekerplanten is overigens bepaald niet snel. De insecten zelf doen er een tijdje over om te verdrinken, en de enzymatische vertering kan vervolgens weken duren. In hetzelfde tempo verloopt ook de groei van de plant zelf: Nepenthes-soorten zijn doorgaans trage groeiers, zeker in vergelijking met andere klimplanten als de philodendron of de meeste tropische bladplanten. Dat past goed bij hun voedselarme habitat: snel groeien zou een onhoudbare hoeveelheid voedingsstoffen vergen.
1.3 Stamboom en verwante kamerplanten
Taxonomisch zit de bekerplant in de familie Nepenthaceae, de bekerplantfamilie, binnen de orde Caryophyllales. Die familie is een klein, eigenwijs hoekje van de plantenwereld: Nepenthes is het enige geslacht. Nauwe verwanten onder de kamerplanten zijn er dus niet. Daarvoor moeten we één stap hoger kijken, naar de orde.
Daar kom je een merkwaardig gezelschap tegen. De venusvliegenvanger (Dionaea muscipula) hoort via de familie Droseraceae in dezelfde orde, maar ook cactussen uit de familie Cactaceae, zoals Schlumbergera, Rhipsalis en de schoonmoedersstoel (Echinocactus grusonii). De bekerplant staat dus stamboomtechnisch gezien dichter bij sommige cactussen dan bij de Noord-Amerikaanse trompetbekerplanten van het geslacht Sarracenia. Een goede illustratie van convergente evolutie, dus.
1.4 Soorten
Met ruim tweehonderd soorten en honderden natuurlijke en gekweekte hybriden is het Nepenthes-aanbod op papier overweldigend. In de praktijk is het assortiment dat het gemiddelde tuincentrum voert echter beperkt tot één kruising: Nepenthes × ventrata. Bij gespecialiseerde kwekers kun je terecht voor flink wat meer soorten. We bespreken hieronder de soorten en hybriden die je het meest tegenkomt, plus een paar van de meest tot de verbeelding sprekende bijzonderheden uit het wild.
1.4.1 Nepenthes × ventrata
Vrijwel alle bekerplanten die je in een doorsnee tuincentrum aantreft, zijn van deze ene hybride. Nepenthes × ventrata – in het tuincentrum vaak te koop onder de naam Nepenthes alata – is een natuurlijke kruising van twee Filipijnse soorten, en is in cultuur vrijwel altijd via weefselkweek vermeerderd, hetgeen verklaart dat het wereldwijde aanbod zo ontzettend uniform is. In oudere bronnen werden vaak N. alata en N. ventricosa als moederplanten bestempeld. Tegenwoordig wordt voor die eerste nu meestal N. graciliflora aangehouden, uit het vroegere N. alata-complex.
N. graciliflora is een laaglandsoort, terwijl N. ventricosa een hooglandsoort is. De hybride daartussen valt onder de tussencategorie. Dat is precies de categorie van bekerplanten die het beste tegen de wisselende omstandigheden in een huiskamer kunnen. Daar komt nog bij dat Nepenthes × ventrata, als hybride, een uitzonderlijke groeikracht heeft. Bij een goede verzorging produceert deze plant gestaag de ene na de andere vangbeker, en kan-ie binnen enkele jaren uitgroeien tot een fraaie hangplant met meterslange klimstengels.
De bekers worden ongeveer 10 tot 20 centimeter groot. Ze zijn doorgaans frisgroen aan de basis en lopen naar boven toe door naar felrood, met een feloranje tot rode rand. Het rood is vooral fel bij planten die veel licht krijgen; in donkerder omstandigheden kunnen de bekers welhaast egaal groen blijven.
1.4.2 Overige Nepenthes-soorten in de handel
Bij gespecialiseerde kwekers van vleesetende planten is het aanbod een veelvoud van wat een tuincentrum biedt. Een paar soorten en hybriden die met enige regelmaat worden aangeboden, en die voor de doorsnee huiskamertuinier interessant kunnen zijn:
- Nepenthes ventricosa: een Filipijnse hooglandsoort met fraaie, urnvormige bekers, vaak met een opvallend peristoom in oranje of roodachtige tinten. Geldt – net als zijn nazaat N. × ventrata – als één van de gemakkelijkste bekerplanten voor de huiskamer.
- Nepenthes alata: een echte Filipijnse soort uit een ingewikkeld soortencomplex, in cultuur veel minder algemeen dan het etiket doet vermoeden. Veel tuincentrumplanten die als N. alata worden verkocht, zijn eigenlijk N. × ventrata of een verwante hybride. De soort zelf heeft slankere bekers, vaak lichtgroen met fijne rode spikkels.
- Nepenthes maxima: een soort van Sulawesi, met onder gunstige omstandigheden flink grote, geelgroen tot rood gevlekte bekers.
- Nepenthes ampullaria: een laaglandsoort uit Zuidoost-Azië, met karakteristieke gedrongen, bijna bolvormige bekers die vaak in dichte groepjes rond de basis van de plant verschijnen. Bijzonder binnen het geslacht omdat hij niet alleen insecten vangt, maar ook voedingsstoffen haalt uit afgevallen bladeren die in de open bekers terechtkomen; dat is zelfs de voornaamste voedingsbron. Zie ook de foto bij het kopje Verzorging verderop in dit artikel.
- Nepenthes sanguinea: een Maleisische hooglandsoort, opvallend bestand tegen huiskameromstandigheden en met diep wijnrode tot bordeauxkleurige bekers. De soortnaam betekent dan ook letterlijk ‘bloedrood’.
- Nepenthes truncata: met afgeknotte bladpunten en zeer grote bekers, ook in cultivars met een opvallend rood peristoom.
- Nepenthes mirabilis: wellicht de meest wijdverspreide soort van het hele geslacht – van Indochina tot in Noord-Australië. Vrij gemakkelijk te houden als kamerplant, maar minder spectaculair gekleurd dan veel andere soorten.
Daarnaast zijn er talloze gekweekte hybriden, vaak met een eigen cultivarnaam. Een paar die in cultuur veel worden gewaardeerd:
- Nepenthes ‘Bloody Mary’: een populaire kruising tussen N. ampullaria en N. ventricosa, met kleine, gedrongen, dieprode bekers op een bossige plant. Doet het uitstekend in een terrarium.
- Nepenthes × coccinea: een hybride van (N. rafflesiana × N. ampullaria) × N. mirabilis, met forse, rood tot oranjerood gekleurde bekers en een krachtige groei.
- Nepenthes ‘Gaya’: een vitale hybride met rood-met-geel gespikkelde bekers; één van de sterkere hybriden voor de huiskamer.
- Nepenthes ‘Miranda’: vermoedelijk een complexe hybride met onder meer N. maxima in de stamboom; producent van zeer fors uitgroeiende bekers, tot wel 25 centimeter.
- Nepenthes ‘Linda’: een populaire hybride, met fraai groen-rode bekers.
1.4.3 Bijzondere soorten: reuzen en symbioses
Voor de meeste van de hieronder beschreven soorten geldt dat ze nauwelijks tot niet in de handel worden aangeboden, maar hun verschijning is dusdanig bijzonder dat we ze je toch niet willen onthouden.
Nepenthes rajah is de wereldberoemde reus van de Borneose Mount Kinabalu, met bekers tot wel 35 centimeter hoog en een inhoud van enkele liters. Er zijn meldingen dat er kleine knaagdieren en hagedissen in de bekers zijn aangetroffen, maar dat zouden dan zowel voor de dieren als voor de plant zelf ongelukken zijn. N. rajah is voor zijn voedingsstoffen namelijk vooral aangewezen op een symbiose met dieren die hun behoefte in de bekers doen (zie hieronder). Desalniettemin staat de soort bekend als één van de grootste vleesetende planten qua bekerinhoud, en het is daarmee zonder meer één van de meest tot de verbeelding sprekende soorten uit het geslacht.
Een minstens zo opmerkelijke soort is Nepenthes attenboroughii, een hooglandsoort die in 2007 werd ontdekt op een afgelegen bergtop op het Filipijnse eiland Palawan. De planten worden anderhalve meter hoog en vormen grote bekers van rond de 30 centimeter; kleine gewervelden kunnen daar in uitzonderlijke gevallen in terechtkomen, maar ook hier lijkt dat meer uitzondering dan regel.
Misschien wel het wonderlijkste verhaal staat echter op naam van Nepenthes lowii, een andere Borneose hooglandsoort, eveneens met grote bekers. De volwassen, hoog aan de liaan groeiende bekers van deze soort hebben een opvallend wijde, trechtervormige opening en een opmerkelijk ver achterover gekromd deksel dat aan de onderkant volledig met nectar is besmeerd. Onderzoek met camera’s in het wild bracht aan het licht dat deze opmerkelijke geometrie helemaal niet bedoeld was voor insectenvangst. De volwassen bekers van N. lowii functioneren feitelijk als een soort wc voor de boomspitsmuis Tupaia montana. Het diertje gaat schrijlings op de bekerrand zitten om aan de nectar onder het deksel te likken, en – vermoedelijk door de laxerende werking van de nectar – doet het dan vaak zijn behoefte, die in die houding precies in de wijde bekermond belandt. Zo ruilen beide partijen voedingsstoffen. Onderzoekers schatten dat 57 tot 100 procent van de stikstof in de bladeren van N. lowii van boomspitsmuispoep afkomstig is. Vergelijkbare samenwerkingen zijn ook beschreven bij Nepenthes rajah, N. macrophylla en N. ephippiata.
Zulke samenwerkingen beperken zich niet tot boomspitsmuizen. Nepenthes hemsleyana, ook op Borneo, heeft een vergelijkbare relatie met Hardwicke’s wolvleermuis (Kerivoula hardwickii), die overdag in de bekers van deze soort verblijft en daar uitwerpselen achterlaat. Nepenthes bicalcarata, weer een andere Borneose soort, met opvallende, getande structuren onder het deksel, leeft samen met de mier Camponotus schmitzi: die nestelt zich in de holle ranken van de plant en draagt aanzienlijk bij aan de stikstofvoorraad door zijn dagelijkse afvalstoffen.
2. Verzorging bekerplant (Nepenthes)

Aan de verzorging van Nepenthes moet je even wennen: op een paar belangrijke punten wijkt die sterk af van de verzorging van de meeste andere kamerplanten. Kort gezegd komt dat door drie eigenaardigheden. Bekerplanten zijn allereerst tropisch en houden bovendien van een hoge luchtvochtigheid, die in de gemiddelde huiskamer doorgaans flink ondermaats is. Ten tweede zijn ze evolutionair aangepast aan voedingsstoffenarme grond, waardoor reguliere potgrond en gewone plantenvoeding niet baat, maar schaadt. En ten derde verdragen ze geen kalk of mineralen in het gietwater, zodat kraanwater eveneens vermeden moet worden. Tegelijkertijd moeten we het ook niet overdrijven: voor een echt goede groei moet je dus je best doen, maar de bekerplanten die je in het tuincentrum kunt kopen, zijn met enige aandacht al prima mooi te houden. Hoe je de verzorging precies moet aanpakken, bespreken we hieronder.
2.1 Water geven
Het belangrijkste aandachtspunt bij het water geven van bekerplanten is dat je bij voorkeur geen hard kraanwater gebruikt. Nepenthes is evolutionair gewend aan zeer kalkarme omstandigheden, en de ophoping van mineralen rond de wortels kan op termijn bladschade en wortelproblemen geven. Gebruik daarom het liefst regenwater. Als je geen tuin of balkon hebt, is het echter geen sinecure om regenwater te verzamelen. Je kunt dan uitwijken naar gedemineraliseerd water, verkrijgbaar bij bouwmarkten maar ook gewoon in veel supermarkten.
Het tweede aandachtspunt is dat de potgrond constant licht vochtig moet blijven. Niet constant drijfnat, zoals bij veel andere vleesetende planten, maar beslist niet droog. Veel hobbyisten geven water door de pot eens per week tot twee weken even in een bakje met regenwater te zetten, zodat het substraat zich vol kan zuigen; daarna laat je de pot weer goed uitlekken. Je kunt ook gewoon van bovenaf water geven en de pot daarna laten uitlekken. Bij grotere planten scheelt dat bovendien een hoop gesjouw.
Tot slot, een veelgestelde vraag: moet je de vangbekers zelf bijvullen? Onder normale omstandigheden niet. Een gezonde bekerplant houdt de vloeistof in zijn bekers prima zelf op peil. Een uitzondering kan gelden voor pas aangeschafte planten. Door transport en lage luchtvochtigheid in de winkel zijn de bekers soms leeggelopen. In dat geval kun je hooguit een klein bodempje regenwater of gedemineraliseerd water toevoegen, zodat een verder gezonde beker niet onmiddellijk indroogt. Giet de bekers niet vol.
2.2 Temperatuureisen
Zoals besproken bij het kopje Habitat en herkomst eerder in dit artikel, onderscheiden we bij Nepenthes grofweg drie temperatuurprofielen. Laaglandsoorten willen continu tropisch: overdag 25 tot 30 graden, ’s nachts niet onder de 20 graden. Hooglandsoorten willen overdag wat koeler (20 tot 25 graden), gevolgd door een nachtdaling tot 10 à 15 graden. Tussen die twee in zit de tussencategorie, die het op beide regimes redelijk doet. Het is geen toeval dat juist hybriden uit deze laatste categorie – met als kampioen N. × ventrata – als kamerplant veruit het meest worden aangeboden. Een normale huiskamer met dagtemperaturen van zo’n 19 tot 23 graden en wat lager ’s nachts is daar dikwijls prima geschikt voor.
Voor hooglanders is zo’n huiskamerstandplaats niet ideaal, omdat de nachten er op lange termijn niet koel genoeg zijn. Een onverwarmde slaapkamer, serre of speciaal gekoeld terrarium kan uitkomst bieden. Pure laaglanders hebben juist meer warmte nodig, vooral in de winter, en staan daarom beter in een terrarium of warme kas.
2.3 Standplaats
Bekerplanten houden van veel helder, gefilterd licht, maar niet van felle middagzon. Een raam op het oosten of westen is vaak een goed uitgangspunt; bij een zuidraam zet je de plant wat verder van het glas. Ochtendzon is meestal geen probleem, maar felle zomerse middagzon kan rode of bruine bladschade veroorzaken.
Veruit het meest knellende aandachtspunt is echter de luchtvochtigheid. Bekerplanten zijn flink veeleisend: 60 tot 80 procent is voor de meeste soorten ideaal, en in elk geval niet veel onder de 50 procent. In een gemiddelde Nederlandse woonkamer zit je in de winter met de verwarming aan onder de 40 procent, vaak zelfs aanzienlijk lager. Dat verklaart het bekende beeld bij beginners: een bekerplantje gekocht in het tuincentrum, dat thuis vrolijk doorgroeit, maar opvallend genoeg geen nieuwe bekers meer wil maken. Bladuitval en het uitblijven van nieuwe bekers zijn vrijwel altijd het gevolg van een te lage luchtvochtigheid (en/of te weinig licht).
Voor de hobbyist zijn er drie hoofdoplossingen. De eerste is een standplaats in de badkamer: daar is het doorgaans al vochtiger, zeker als er regelmatig wordt gedoucht. Er moet dan wel voldoende dag- of kunstlicht zijn. De tweede oplossing is een aquarium of een speciaal aangelegd terrarium, met daarin gerichte verlichting en een hoge luchtvochtigheid. De derde oplossing is een serre of een verwarmde kas, voor de fanatiekste verzamelaars; Nepenthes-collecties zijn daar het beste op hun plek. Een luchtbevochtiger in de huiskamer kan ook helpen, maar zelden voldoende. Een schoteltje met natte hydrokorrels onder de pot is bij veel kamerplanten die net een wat hogere luchtvochtigheid wensen een prima tussenoplossing, maar in de regel zijn bekerplanten veeleisender.
Bekerplanten zijn van nature lianen, en de meeste cultuurvariëteiten worden dan ook als hangplant verkocht: zo komen de typische hangbekers maximaal tot hun recht. Hang de plant niet vlak boven een radiator of een andere warmtebron.
2.4 Voeding
Voeding werkt bij Nepenthes anders dan bij vrijwel alle andere kamerplanten. Deze planten zijn evolutionair aangepast aan extreem voedselarme grond, en de kleinste hoeveelheid normale plantenvoeding kan al voor wortelverbranding zorgen. Waar je bij kamerplanten gewend bent regelmatig te bemesten voor een goede groei, geldt dat voor bekerplanten juist niet. Geef nooit reguliere plantenvoeding via de grond of het gietwater.
Voor zijn voedingsstoffen vertrouwt de bekerplant op zijn vangbekers. Hoeveel die in de huiskamer daadwerkelijk vangen, verschilt nogal. Varenrouwmugjes van andere kamerplanten zijn te klein om echt wat toe te voegen; fruitvliegjes en andere vliegende insecten zijn doorgaans slechts sporadisch aanwezig, en zeker niet betrouwbaar het hele groeiseizoen lang. Wil je de plant dus helpen, dan kun je zo nu en dan een levend insect of ander klein diertje (een vlieg, een mier, een spinnetje) of een paar gedroogde insectenlarven in een beker droppen. Eén of twee prooien per beker per maand is meer dan genoeg. Geef verder niets anders: geen restjes vlees, geen plantenvoeding. De kans is zeer groot dat dit de beker doet afsterven. Bijvoeren hoeft sowieso niet; veel hebben bekerplanten niet nodig.
2.5 Verpotten
Net zoals bij bemesten geldt dat ook bij verpotten de gangbare wijsheid voor bekerplanten averechts uitpakt. Gewone tuinaarde of standaard potgrond is voor Nepenthes ronduit riskant vanwege de hoge voedingsstoffenconcentratie, met name aan stikstof en mineralen. Gebruik in plaats daarvan een speciaal substraat voor vleesetende planten of meng er zelf eentje. Een eenvoudig recept dat voor vrijwel alle bekerplanten werkt, is een luchtige mix van langvezelig veenmos (Sphagnum) en perliet. Voor extra waterdoorlatendheid kun je er nog wat orchideeënschors of kokosvezel doorheen werken.
Gebruik bij voorkeur een plastic pot, geen terracotta. Aardewerken potten lekken kalk in het substraat, wat bekerplanten – zoals we al bespraken bij Water geven – zeer slecht verdragen.
Verpotten doe je het beste in de lente, op het moment dat de plant net weer gaat groeien. Nepenthes-substraat breekt vrij snel af; veenmos en andere organische bestanddelen verteren in een jaar of twee zodanig dat de drainage afneemt en wortelproblemen op de loer liggen. Houd dus rekening met een verpotbeurt om de twee jaar, eventueel ieder jaar voor jonge, snelgroeiende exemplaren. De pot mag licht doorworteld zijn, maar hoeft niet aanzienlijk groter te worden bij elke verpotting: bekerplanten hebben relatief weinig wortels en houden van een knusse pot. De wortels dienen eigenlijk alleen om water op te nemen en enigszins als steun, al hebben de meeste soorten daar windende ranken voor.
2.6 Snoeien
Nepenthes reageert goed op snoei. Het is zelfs een uitstekende manier om enerzijds een te uitbundige lianenstreng in te tomen en anderzijds, in de praktijk vaak nog belangrijker, om vertakking te stimuleren. Die vertakking komt overigens regelmatig uit de grond, via uitlopers, en niet zozeer in de vorm van echte zijtakken.
Snoei doe je het beste boven een knoop, dus net boven een plek waar al een blad of een rank aan de stam zit. Daar zal de plant nieuwe scheuten produceren. Doe het in het voorjaar of de zomer, wanneer de plant in volle groei is – dan verloopt het herstel het snelste. Het is overigens niet erg om bij grote planten flink in te snoeien; Nepenthes kan daar echt prima tegen. Het afgesneden materiaal kun je vervolgens proberen te stekken; zie hieronder.
2.7 Vermeerderen
Er zijn twee veelgebruikte manieren om bekerplanten te vermeerderen: door te stekken en door te zaaien. Het overgrote deel van de in de handel verkrijgbare planten wordt met een derde methode geproduceerd: weefselkweek. Dat is voor de huiskamertuinier evenwel geen reële optie, omdat het uitsluitend onder steriele laboratoriumomstandigheden kan.
2.7.1 Stekken
Stekken is voor de meeste Nepenthes-soorten – en zeker voor de robuustere hybriden zoals N. × ventrata – goed te doen, mits je de juiste omstandigheden weet te bieden. Neem stekken van pakweg 10 tot 15 centimeter lang, met minimaal twee à drie knopen (oftewel plekken waar bladeren ontspringen). Snijd dwars onder een knoop, verwijder de onderste bladeren en knip eventueel het bovenste blad voor de helft af om verdamping te beperken. Steek de stek vervolgens in een potje met vochtig veenmos (Sphagnum) of een mengsel van veenmos en perliet, met de onderste knoop net onder het oppervlak.
De crux zit hem in de luchtvochtigheid: die moet ronduit hoog zijn, het liefst tegen de honderd procent. Zet de stek dus in een transparante plastic zak, een klein terrarium of een afgesloten zaaibakje. Houd het substraat constant licht vochtig (met regenwater). Plaats de stek op een lichte, warme plek – ergens met dagtemperaturen rond de 23 tot 28 graden en zonder felle directe zon – en oefen je geduld: een Nepenthes-stek doet er zo twee tot vier maanden over om wortels te vormen. Tot die tijd is het lastig te beoordelen of-ie aanslaat. Een goed teken is een nieuwe scheut die zich ontwikkelt bij één van de bovenste knopen, of een blad dat zich uitvouwt – dat wijst op een geslaagde beworteling.
Voor de wat ambitieuzere hobbyist is marcotteren, oftewel het maken van een aflegger, een tweede optie. Daarbij wikkel je op de moederplant een stuk stengel van een centimeter of twee aan weerszijden van een knoop in vochtig veenmos (Sphagnum), met een plastic folietje eromheen om uitdroging te voorkomen. Wanneer er wortels uit het knoopje groeien – dat duurt al gauw maanden – kun je het geheel net onder de wortelzone afsnijden en oppotten. Voordeel: je hoeft niet eerst af te wachten of de stek überhaupt zal wortelen.
2.7.2 Zaaien
Zaaien is bij Nepenthes beduidend lastiger dan stekken, en zeker voor de doorsnee huiskamertuinier doorgaans geen voor de hand liggende route. Het grootste probleem is dat Nepenthes-zaden uitermate kort kiemkrachtig zijn: vaak slechts enkele weken, hooguit een paar maanden vanaf het moment dat ze zijn geoogst. De beschikbaarheid is dan ook beperkt.
Heb je toch vers zaad weten te bemachtigen, dan zaai je het oppervlakkig op een steriel, vochtig veenmossubstraat. Dek het geheel af om de luchtvochtigheid maximaal te houden en plaats het op een warme, lichte plek (rond de 25 graden). De kieming kan enkele weken tot meerdere maanden duren. Tip: zaai liefst meteen, op de dag dat je het zaad ontvangt, omdat de kiemkracht zo snel afneemt.
2.8 Bloeiwijze
Nepenthes produceert lange, smalle bloeitrossen, vaak een halve meter of langer, met daarin tientallen tot honderden minuscule bloemetjes. Die bloemetjes hebben geen kroonbladen, slechts vier kelkblaadjes, en ze zijn doorgaans geelgroen tot bruinrood. Een hele bloemtros bij elkaar ziet er feitelijk uit als een wat sprietige groene aar. Niet gek dat bekerplanten om hun spectaculaire en veelkleurige bekers worden gekweekt, niet om hun bloemen.
De geur van de bloemetjes is overigens zeer variabel. Bij sommige soorten is die zoet en aangenaam, bij andere ronduit muf of paddenstoelachtig. Bestuiving gebeurt door insecten, in het bijzonder door vliegen, motten, wespen en vlinders.
Bekerplanten zijn tweehuizig: een individuele plant is óf mannelijk óf vrouwelijk. De mannelijke bloemen zijn in feite een bundeltje versmolten meeldraden; de vrouwelijke een eenvoudig vruchtbeginsel. Wanneer een vrouwelijke bloem succesvol wordt bestoven, ontstaat na enige tijd een vierhokkige doosvrucht met zo’n 50 tot 500 zaadjes. Die zaadjes zijn klein en uitgerust met vleugeltjes; ze worden verspreid door de wind.
Overigens zul je in de huiskamer niet snel een bekerplant in bloei zien komen. Planten moeten daarvoor behoorlijk volwassen zijn en langdurig onder gunstige omstandigheden groeien.
2.9 Ziektes en plagen
Bij een goede verzorging zijn bekerplanten beperkt vatbaar voor ziektes en plagen. Toch komen er enkele typische probleempjes vaker voor, waarvan we de belangrijkste hieronder bespreken.
Verreweg de meest voorkomende plaag is wolluis. Deze kleine, witte, met een wollig laagje bedekte zuigers nestelen zich graag tussen de bladeren en in de oksels van de ranken, op de overgang van rank naar beker en op de onderkant van de bladeren. Bekerplanten zijn er behoorlijk gevoelig voor, vooral exemplaren die in een wat te droge huiskamer staan. Bestrijding vereist enige volharding: de beestjes afdeppen met een in spiritus gedrenkt wattenstaafje, en dat een à twee keer per week herhalen tot het probleem onder controle is. Bij hardnekkige plagen kun je een mild biologisch bestrijdingsmiddel inzetten volgens de aanwijzingen op de verpakking.
Daarnaast komt spint voor, ook bij Nepenthes, vooral in droge lucht. De beestjes zelf zijn nauwelijks zichtbaar; je herkent ze meestal aan de fijne webjes op de onderkant van de bladeren en aan een vlekkerige, geelachtige verkleuring van het blad. De beste bestrijding is preventief: zorg voor een hoge luchtvochtigheid, zoals besproken bij Standplaats eerder in dit artikel. Bij een acute uitbraak helpt het regelmatig afspoelen van de plant onder een zachte, lauwe douche van regen- of gedemineraliseerd water, eventueel aangevuld met een mild biologisch bestrijdingsmiddel.
Wortelrot kan bij Nepenthes ook optreden, met name in de winter wanneer de groei stagneert en de potgrond toch (zeer) nat blijft. Symptomen zijn een algeheel verslapt voorkomen, geel verkleurende oudere bladeren en uiteindelijk geheel afsterven van het hele exemplaar. Voorkomen is hier veel beter dan genezen: zorg voor een goed waterdoorlatend, luchtig substraat (zie het kopje Verpotten) en geef in de winter wat minder vaak water dan in de zomer. Is wortelrot toch opgetreden, dan is het zaak om zo snel mogelijk stekken te nemen (zie het kopje Stekken hierboven voor hoe je dat het beste doet); de moederplant zal in de regel komen te overlijden, zelfs als je direct verpot in droog substraat en de aangetaste delen wegsnoeit. Wortelrot uit zich nu eenmaal pas echt helder als alle wortels al zijn afgestorven.
Als laatste: het zo nu en dan afsterven van individuele vangbekers is normaal, geen teken van ziekte. Een bekerplant produceert continu nieuwe bekers, en oudere bekers – vanaf een leeftijd van zes maanden tot ruwweg een jaar – verdrogen en sterven gewoon af. Knip ze gerust weg als je ze niet meer mooi vindt.
2.10 Overige tips bij de verzorging
- Nieuwe bladeren komen aanvankelijk uit zonder beker – die vormt zich aan het uiteinde daarvan, soms pas weken nadat het blad zelf is uitgegroeid.
- Als een plant gestaag nieuwe bladeren produceert maar nauwelijks of geen nieuwe vangbekers, is de luchtvochtigheid vrijwel zeker te laag en/of staat hij te donker. Verhuis hem in dat geval naar een lichter, vochtiger plekje.
- Voor zover ons bekend is Nepenthes niet giftig voor mensen of huisdieren.
3. Bekerplant (Nepenthes) kopen: waar moet je op letten en waar kan het?

Bekerplanten zijn behoorlijk goed verkrijgbaar, hoewel het reguliere aanbod doorgaans beperkt blijft tot één soort, of preciezer: één hybride. Vrijwel ieder tuincentrum en menig supermarkt of bloemist verkoopt wel een Nepenthes × ventrata (ook verkocht onder de naam N. alata), dikwijls als hangplant in een plastic potje met een meegeleverd haakje. Dat is veruit de geschiktste bekerplant voor de huiskamer. Zie verder het kopje Nepenthes × ventrata eerder in dit artikel.
Wil je iets exotischers – een specifieke andere soort, een bijzondere hybride of een fraaie cultivar – dan zul je je bij gespecialiseerde kwekers van vleesetende planten moeten melden. Vooral online is het aanbod behoorlijk ruim. Houd er wel rekening mee dat dit soort planten qua verzorging vaak een stuk veeleisender zijn dan de bekerplanten uit het tuincentrum.
Staat er een plant in de winkel en twijfel je of-ie gezond is, let dan op een paar dingen. Allereerst: kijk naar de bekers. Een gezonde bekerplant heeft stevige, gevulde vangbekers met een opvallend gekleurde, intacte rand. Een paar bruine, verdroogde bekers tussen de jongere zijn niet erg; dat is een natuurlijk verloop, vergelijkbaar met afgevallen bladeren bij andere planten. Maar zijn álle bekers verdroogd, of zit er geen enkele beker aan een plant met al goed ontwikkelde bladeren, dan heeft die plant het hoogstwaarschijnlijk al een tijdje veel te droog gehad.
Kijk ook even naar de wortelhals, de onderkant van de stengel: die moet stevig groen of bruinachtig zijn, niet slap of zwartig. Zwartige, slap aanvoelende stengelvoeten wijzen op wortel- of stamrot, en dat is uiteindelijk vaak fataal. Inspecteer als laatste de okselgebieden van de stengel en de onderkant van de bladeren op wolluis.
Voor zover bij ons bekend is Nepenthes niet giftig voor mensen of huisdieren.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.
