
Het kruidje-roer-me-niet (Mimosa pudica) is een kamerplant met een heel bijzonder kunstje: tik een blad aan en het vouwt zich binnen enkele seconden dicht. Verder is het een bescheiden tropische halfstruik, doorgaans niet meer dan een paar decimeter hoog, met fraai dubbelgeveerd loof en bij goede verzorging paarsroze pluizige bolletjesbloemen. Hoe zorg je bij het kruidje-roer-me-niet voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
1. Inleiding: wat is het kruidje-roer-me-niet voor plant?

Het kruidje-roer-me-niet is niet bepaald de grootste of meest sierlijke kamerplant op de markt, en in puur botanisch opzicht is het zelfs een tamelijk bescheiden verschijning. Wat dat betreft moet het kruidje-roer-me-niet het vooral hebben van zijn buitengewone reactie op aanraking: leg een vinger op een blad en je ziet het, ter plekke, binnen enkele seconden dichtvouwen. Een paar minuten later opent het zich weer, alsof er niets is gebeurd. Bij de meeste kamerplanten loont het de moeite om naar de bladtekening of de bloei te kijken; bij deze loont het de moeite om gewoon eens even rustig naast de plant te gaan zitten.
De wetenschappelijke naam is een mooi staaltje plantenpoëzie. Mimosa komt van het Griekse mimos, ‘nabootser’ – een verwijzing naar het feit dat de plant lijkt te reageren als een dier, met beweging. Het soortepitheton pudica is Latijn voor ‘verlegen’ of ‘schuchter’, naar diezelfde dichtklappende blaadjes. Carl Linnaeus beschreef de soort in 1753 in zijn Species Plantarum; later is Mimosa pudica ook als type-soort van het geslacht Mimosa aangewezen. Alleen al door de naamkeuze te beschouwen krijg je dus al een aardig idee van wat je in huis haalt.
Overigens is de fascinatie voor deze plant beduidend ouder dan Linnaeus. In 1648 kweekte de Engelse botanicus Jacob Bobart de Oudere al twee Amerikaanse mimosa’s in de Oxford Botanic Garden, en in 1654 demonstreerde hij de bijzondere eigenschap ervan aan de dagboekschrijver John Evelyn. Het bewegende blad was kortom al een Europese curiositeit toen veel van onze huidige populaire kamerplanten hier nog niet eens voet aan wal hadden gezet.
1.1 Habitat en herkomst
Het kruidje-roer-me-niet komt van oorsprong uit tropisch Amerika: grofweg van Mexico via Midden-Amerika en het Caribisch gebied tot in tropisch Zuid-Amerika, waaronder grote delen van Brazilië. Daar groeit het vooral op open, warme, verstoorde plekken: bermen, akkerranden, plantages, oeverzones, braakliggend terrein en grazige randen. Dichte schaduw verdraagt het slecht; volle zon tot lichte halfschaduw en een vochtige, maar goed doorlatende bodem passen veel beter bij deze plant.
Inmiddels heeft de plant zijn verspreidingsgebied flink uitgebreid. Hij is uitgezaaid in vrijwel alle tropische streken van de wereld en wordt in delen van Zuid- en Zuidoost-Azië, Oost-Afrika, de Stille Oceaan en het noorden van Australië als onkruid of zelfs als invasieve plant gezien. Vooral in handmatig bewerkte akkers en plantages is hij vervelend: de plant blijft laag, vormt stekelige stengels en de kleine peulen met stijve borstelharen kunnen via vacht, kleding, water en verplaatste grond worden verspreid. Voor de Nederlandse en Belgische huiskamertuinier is dat gelukkig vooral een botanisch weetje. Het kruidje-roer-me-niet is niet winterhard en zal in onze streken buiten de zomer om niet in de volle grond blijven leven.
1.2 Groeiwijze

In zijn natuurlijke habitat is het kruidje-roer-me-niet een kruipende of laaggroeiende halfstruik, gewoonlijk 15 tot 50 centimeter hoog, soms iets meer. De stengels zijn slank en in het volle licht voorzien van fijne, scherpe stekels. Jonge plantjes staan nog rechtop, oudere exemplaren neigen ernaar over de bodem uit te spreiden.
De bladeren zijn dubbelgeveerd en samengesteld. Op het eerste gezicht doen ze denken aan het loof van een varen of aan een miniatuurversie van een mimosa-snijbloem (zie ook het kopje Andere ‘mimosa’s’ en verwarringen verderop in dit artikel). Aan een bladsteel zitten doorgaans twee tot vier pinnae (ondervertakkingen van de bladsteel), en aan elke pinna staan een rij smalle, tegenoverstaande blaadjes (pinnules). Een volwassen blad telt zo gauw enkele tientallen pinnules.
Het echte spektakel zit in de bewegingen. Aan de basis van de bladsteel, en aan de basis van elke pinna en elke pinnule, zit een verdikt orgaantje: het pulvinus. Dat is feitelijk een soort waterkussen, dat onder de juiste prikkels razendsnel van spanning kan veranderen (vol of leeg kan lopen). Bij aanraking, schudden, een vlam, een windvlaag of een elektrisch impulsje verspreidt zich een elektrisch signaal door de plant. In het pulvinus verandert vervolgens de verdeling van onder meer kalium- en chloride-ionen. Water volgt die ionen via osmose, cellen verliezen turgor, en het blad of de bladsteel valt omlaag. Pinnules klappen daarbij paarsgewijs samen, alsof er een ritssluiting wordt dichtgetrokken. Het dichtklappen kan binnen één tot enkele seconden beginnen; het weer volledig openklappen duurt enkele minuten tot een kwartier.
Naast deze seismonastische beweging (de naam voor bewegingen op aanraking en trilling) vertoont het kruidje-roer-me-niet ook nyctinastische bewegingen: een zogenoemde slaapstand, waarbij de blaadjes ‘s avonds vanzelf dichtklappen en ‘s ochtends weer opengaan. Dit ritme wordt gestuurd door een interne biologische klok, vergelijkbaar met die van veel andere planten in de vlinderbloemenfamilie. Dat leverde in 1729 een mooi stukje wetenschapsgeschiedenis op: de Franse astronoom Jean-Jacques d’Ortous de Mairan zette een gevoelige mimosa in het donker en zag dat de bladeren toch hun dag-nachtritme bleven volgen. Een plant in een kast als startpunt van de chronobiologie; je moet er maar opkomen. Ook calathea’s vertonen overigens een soortgelijke nachtbeweging, al gebeurt dat daar veel langzamer en veel minder demonstratief. Maar het is wel opvallend genoeg om een bijnaam op te hebben geleverd: bidplant.
Waar de bewegingen toe dienen, is nog steeds niet helemaal uitgekristalliseerd. De gangbare hypothesen zijn enerzijds bescherming tegen herbivoren – een rups die op een blad gaat zitten voelt dat blad ineens onder zich wegvallen, en voor een grazer lijkt de plant ineens veel minder smakelijk – en anderzijds vermindering van waterverlies en weerstand tegen schade door wind. Waarschijnlijk is het een combinatie van beide. Wat in elk geval zeker is, is dat de actie de plant energie kost. Het kruidje-roer-me-niet eindeloos blijven aanraken om het foefje te bewonderen is dus niet bevorderlijk voor een goede groei; hoe leuk ook, het is spijtig genoeg geen speeltje.
1.3 Stamboom en verwante kamerplanten
Het geslacht Mimosa telt ongeveer vijfhonderd soorten en behoort tot de vlinderbloemenfamilie (Fabaceae), in de orde Fabales. Dat is ook de laagste betrouwbare gedeelde rang met de andere kamerplanten in deze groep. Traditioneel werd Mimosa ondergebracht bij de subfamilie der mimosa’s (Mimosoideae); in moderne indelingen vind je deze groep eerder terug als mimosoïde tak binnen de grotere groep Fabaceae. Voor de verzorging in de huiskamer maakt dat verder niets uit, maar voor de naamgeving is het wel aardig om te weten.
De Fabaceae is een van de grootste plantenfamilies ter wereld, met kruidachtige eenjarigen, klimmers, struiken en reusachtige tropische bomen. Veel bekende landbouwgewassen horen erbij: erwt, boon, soja, pinda, linze, klaver en lupine. De familie heeft als typisch kenmerk de peulvruchten – vandaar de naam Leguminosae, waaronder de familie ook nog steeds geregeld wordt aangeduid – en bij talloze soorten samengestelde of geveerde bladeren.
Onder de kamerplanten is de Fabaceae daarmee welbeschouwd sterk ondervertegenwoordigd, hetgeen er vermoedelijk mee samenhangt dat de meeste vertegenwoordigers het lastig hebben om in de woonkamer tot een goede groei te komen. Een familiegenoot die je nog weleens in de handel tegenkomt is de geluksboom (Castanospermum australe), een Australische soort met grote glanzende blaadjes die vaak als kiemplant (van buitenformaat weliswaar) wordt verkocht. Ook de bloemistmimosa (Acacia dealbata), met zijn welbekende pluizige gele bolletjes in januari en februari, behoort tot dezelfde familie, al staat hij dan zelden langer dan een paar dagen als snijbloem in een vaas. Verwant, ja; vergelijkbaar als kamerplant, nee.
1.4 Soorten
Hoewel het geslacht Mimosa ongeveer 500 soorten omvat, is het assortiment dat als kamerplant te krijgen is véél minder uitgebreid, om precies te zijn: er is maar één soort in de handel. Die ene soort is Mimosa pudica zelf. Cultivars met afwijkende kleuren of bladtekeningen zijn voor zover ons bekend niet in omloop; wat je in de handel ziet onder de naam ‘kruidje-roer-me-niet’ mag je zonder veel verder onderzoek beschouwen als de soort. Op het gebied van naamgeving is er daarnaast nog wel wat ruimte voor verwarring, en dat is een aparte alinea waard.
1.4.1 Mimosa pudica zelf
In de huiskamer wordt Mimosa pudica zelden zo groot als in de tropen. Doorgaans blijft het bij een halfstruikje van twintig tot dertig centimeter, hooguit veertig. De bladeren zijn lichtgroen, soms met een rossige zweem aan de bladstelen wanneer de plant veel zon krijgt of als hij te koud staat (zie ook het kopje Temperatuureisen verderop). De levensduur is in de Nederlandse huiskamer vrij beperkt. Veel exemplaren halen het hele jaar wel, maar zijn daarna duidelijk over hun hoogtepunt heen. Daarom is het de moeite waard om jaarlijks nieuwe planten op te kweken uit zaad. Het kost weinig en je hebt binnen enkele maanden een fris exemplaar (zie ook het kopje Zaaien verderop in dit artikel).
Botanisch worden binnen Mimosa pudica verschillende variëteiten onderscheiden, waaronder M. pudica var. pudica, M. pudica var. unijuga, M. pudica var. tetrandra, M. pudica var. hispida en M. pudica var. pastoris. Die verschillen zitten onder meer in beharing, bloemkenmerken en herkomstgebieden, en zijn voor de gewone kamerplantenhandel nauwelijks relevant. In het tuincentrum staat er dus zelden een variëteitsnaam op het etiket.
1.4.2 Andere mimosa’s en verwarringen

In de praktijk worden allerlei planten met ‘mimosa’ aangeduid, en die zijn lang niet allemaal verwant aan ons kruidje-roer-me-niet. De belangrijkste verwarringen op een rijtje:
- De bloemistmimosa: dat is Acacia dealbata, een Australische boom uit dezelfde familie maar uit een ander geslacht. Bekend van de pluizige gele bolbloempjes die in de winter en het vroege voorjaar als snijbloem in de bloemenwinkel verschijnen. Geen kamerplant, maar in heel milde klimaten ook als sierboompje in de tuin te zien.
- De roze zijdeboom of Perzische slaapboom: Albizia julibrissin. Ook een Fabaceae, met aantrekkelijk geveerde bladeren die ‘s nachts dichtklappen – dezelfde nyctinastische beweging dus als bij ons kruidje-roer-me-niet, alleen veel groter. Een grote sierboom, geen kamerplant, in een matig winterhard klimaat soms ook in onze tuinen.
- Andere gevoelige soorten in het geslacht Mimosa zelf: er zijn er nog meer die op aanraking dichtklappen, zoals Mimosa diplotricha en Mimosa pigra. Dat zijn echter vooral tropische buitenplanten; als Nederlandse kamerplant kom je ze zelden tot nooit tegen.
2. Verzorging kruidje-roer-me-niet (Mimosa pudica)

Het kruidje-roer-me-niet heeft de reputatie van een nogal lastige kamerplant, maar dat is wat ons betreft een tikkeltje overdreven. In de eerste plaats hangt veel af van de verwachtingen die je van de plant hebt. Verwacht je een fraai meerjarig exemplaar dat na een paar jaar geregeld in bloei staat, dan klopt het inderdaad dat dat in de doorsnee Nederlandse huiskamer een uitdaging is. Verwacht je daarentegen een leuke gevoelige plant voor het komende seizoen, eventueel zelf opgekweekt uit zaad, dan valt de verzorging best mee. Wat in beide gevallen vooral telt: warmte, licht en voldoende vocht. Aan dat laatste schort het in onze gemiddelde huiskamer vaak.
2.1 Water geven
Het kruidje-roer-me-niet houdt van een gelijkmatig vochtige potkluit. Niet kletsnat, dat moet je beslist niet aanhouden, maar ook zeker niet droog. Een vuistregel is dat de bovenste centimeter van de potgrond mag opdrogen voordat je opnieuw water geeft. Bij een goede groei in de zomer betekent dat al gauw dat je om de twee of drie dagen even moet kijken. In de winter mag het wat droger, maar laat de kluit ook dan niet helemaal uitdrogen, want het kruidje-roer-me-niet heeft geen waterreserves om op terug te vallen, en hij is tegelijkertijd behoorlijk dorstig.
Een eerste signaal dat het de plant te droog wordt is – daar zijn we weer – een beweging, namelijk dat de bladeren al gaan dichtklappen zonder dat je ze aanraakt. Het is dan tijd om hem flink te begieten. Een tweede signaal is dat de blaadjes geel worden en afvallen. Bedenk wel dat geel blad ook op het tegendeel kan duiden: te veel water. Maar zeker in het groeiseizoen, bij warm weer, is dat veel minder waarschijnlijk als oorzaak.
2.2 Temperatuureisen
Dit is den echte tropische plant: het kruidje-roer-me-niet doet het pas echt goed boven de twintig graden. Onder de vijftien wordt-ie al een beetje ongelukkig, en bij temperaturen rond het vriespunt is hij verloren. Zelfs flink boven nul, ergens in een ongestookte slaapkamer rond de tien graden, krijg je vaak al rode tot bruine verkleuring van de bladeren – een betrouwbaar signaal dat de plant het in zijn huidige omgeving niet zal redden. In dat geval kun je beter zo snel mogelijk verkassen naar een warme ruimte. Onthoud ook dat de kenmerkende beweging op aanraking pas goed werkt boven een graad of achttien, dus in een koele kamer komt zelfs het ‘trucje’ niet meer fatsoenlijk uit de verf.
In de zomer kun je het kruidje-roer-me-niet eventueel even buiten zetten, op het balkon of in de tuin. Doe dat alleen op echt zachte dagen en haal hem ‘s avonds binnen als het nog een koele nacht kan worden. Een beschut, zonnig plekje is dan ideaal. Laat hem niet pardoes in de volle middagzon staan; aan veel licht is hij gewend, maar plotselinge overgangen van binnen naar buiten kunnen de bladeren laten verbranden. Wen hem geleidelijk. En voorkom dat-ie vol in de wind staat. Dat kan er namelijk toe leiden dat de plant nodeloos vaak zijn bladeren sluit – en dus energie verspilt.
2.3 Standplaats
Veel licht, weinig tocht, geen koud raam en geen hete, droge radiatorlucht vlakbij – dat is in één zin de ideale standplaats. Een ruime, lichte vensterbank op het zuiden of (zuid)westen is bij uitstek geschikt, mits achter het glas niet te lage temperaturen ontstaan in de winter. Heb je geen plek met direct zonlicht, dan is een heldere plaats met indirect licht een redelijk alternatief, maar reken dan op een wat slappere groei en een kleinere kans op bloei.
Het kruidje-roer-me-niet heeft, net als veel zonneminnaars, een afkeer van verplaatst worden. Draai en verzet hem zo min mogelijk, want hij oriënteert zich op de lichtbron en moet bij elke verandering opnieuw zijn bladeren bijdraaien – dat kost hem energie en levert algauw misvormde groei op. Heeft hij eenmaal een goede plek, laat ‘m dan staan.
Aanraking zorgt ervoor dat de blaadjes dichtklappen. Gebeurt dat te vaak, dan kan dat het een goede groei flink doen haperen. Het kost namelijk veel energie. Zorg dus voor een standplaats waar je niet de hele dag vlak langsloopt. Verder zijn de blaadjes vrij teer en de stengels stekelig. Ook niet ideaal om vaak tegenaan te botsen.
2.4 Voeding
In de groeiperiode, dus van het late voorjaar tot ongeveer eind augustus, is een lichte dosis universele vloeibare plantenvoeding eens in de twee weken voldoende. Gebruik liefst een halve dosering van wat op de verpakking staat aangegeven. Het kruidje-roer-me-niet groeit in de natuur vaak op vrij gewone tot arme grond en kan, als de juiste bacteriën aanwezig zijn, als vlinderbloemige stikstofbindende wortelknolletjes vormen. Van overmatig veel meststof wordt-ie dus eerder slechter dan beter. In het winterseizoen mag je het bemesten helemaal achterwege laten.
2.5 Verpotten
Verpotten doe je het beste in de lente, vlak voordat de plant weer aan een nieuwe groeispurt begint. Een ruime, maar niet enorm grote pot is het advies – de wortels willen graag de ruimte hebben, maar in een veel te grote pot droogt de bovenste laag potgrond snel uit terwijl de onderkant nat blijft, en dat is haast vragen om wortelrot. Gewone, goed waterdoorlatende potgrond voldoet uitstekend; speciale aarde is niet nodig. Eventueel kun je wat perliet of een handje fijn grind in de potgrond mengen om de drainage te verbeteren.
2.6 Snoeien
Snoeien is bij het kruidje-roer-me-niet eigenlijk niet nodig en in veel gevallen ook niet wenselijk. De plant is van nature klein en compact; veel valt er niet te knippen. Wel kun je de plant na de winter, of wanneer hij over zijn hoogtepunt heen lijkt, eventueel een lichte vormsnoei geven om hem weer wat dichter te krijgen. Knip dan slechts enkele centimeters van de uiteinden af, zodat de plant nieuwe zijscheuten zal vormen.
Pas op met de stekels: bij oudere planten kunnen die op de stengels behoorlijk venijnig zijn. Daarbij zie je ze vanwege het dichte loof gemakkelijk over het hoofd.
2.7 Vermeerderen
Er zijn twee manieren om een kruidje-roer-me-niet te vermeerderen: zaaien en stekken. Het eerste is duidelijk gemakkelijker en succesvoller dan het tweede. We bespreken ze hieronder allebei.
2.7.1 Zaaien

Zaad van het kruidje-roer-me-niet is goed verkrijgbaar bij zaadhandels en online; het is vaak ook beter te krijgen dan een kant-en-klare jonge plant. Het zaad lijkt op een minuscuul bruin schijfje, en wordt gevormd in kleine peulen na de bloei. Het heeft een harde zaadhuid, vandaar dat een paar voorbereidingen lonen.
Begin met scarificeren: het lichtjes beschadigen van de zaadhuid, bijvoorbeeld door elk zaadje aan één kant kort over een vel schuurpapier (of een baksteen) te halen of met een mesje een heel kleine inkeping te maken. Daarna laat je ze 24 tot 48 uur weken in lauwwarm water. Een snellere methode is om ze 30 seconden in heet (geen kokend!) water te dompelen en daarna alsnog enige tijd te laten weken. Zaden die na het weken duidelijk gezwollen zijn, zijn klaar om gezaaid te worden; de andere kun je nog een keer scarificeren en opnieuw weken.
Zaai dan vrij ondiep in zaai- en stekgrond, bedek ze met zo’n halve centimeter aarde, en zet het potje op een warme plaats van minimaal twintig graden. Dek af met plastic folie of een glasplaatje om de luchtvochtigheid hoog te houden. Onder die omstandigheden komen de eerste zaden meestal binnen één tot twee weken op, soms al sneller. Zodra de zaailingen hun eerste echte blaadjes hebben kun je de afdekking eraf halen en de plantjes geleidelijk laten wennen aan de gewone huiskameratmosfeer.
Verspeen ze als ze een centimeter of vijf hoog zijn, eventueel ook nog een tweede keer als je ze nog krachtiger wilt laten worden. Een groepje van drie tot vijf plantjes in één pot oogt vaak fraaier dan een enkel exemplaar, en is ook beter bestand tegen tegenslagen.
2.7.2 Stekken
Stekken kan ook, maar is een stuk lastiger. Knip in het voorjaar of de vroege zomer een topje van vijf à tien centimeter af, verwijder de onderste blaadjes en zet de stek in zaai- en stekgrond of een glas water op een warme, lichte plek. Houd de luchtvochtigheid zo hoog mogelijk, bijvoorbeeld door er een doorzichtige zak overheen te plaatsen. Bewortelen kan een paar weken duren en lukt lang niet altijd. Aangezien het zaaien zoals gezegd erg gemakkelijk is, beschouwen wij stekken meer als een leuk experiment dan als een serieuze manier om aan nieuwe planten te komen.
2.8 Bloeiwijze

Bij een geslaagde verzorging – voldoende warmte, licht en water – kan het kruidje-roer-me-niet al in zijn eerste jaar tot bloei komen. De bloeiwijze is verrassend fraai, zeker van dichtbij (zie ook de foto hierboven): roze tot lichtpaarse, pluizige bolletjes van ongeveer een centimeter doorsnee, die op slanke steeltjes uit de oksels van de bladeren omhoog komen. Zo’n bolletje is feitelijk een zogeheten capitulum, een verzameling van veel kleine bloemetjes met opvallend lange meeldraden, waaraan het pluizige uiterlijk te danken is. Op kleine schaal doet het denken aan de gele bloemen van de bloemistmimosa Acacia dealbata, alleen dus in roze.
Een bloem houdt het maar een dag uit. Bij een gezonde plant volgen de bloempjes elkaar gelukkig vlot op, zodat je in een paar weken tijd toch meerdere bolletjes aan de plant ziet komen en gaan. Na de bloei kunnen kleine, platte, stekelige peultjes verschijnen, met daarin zaden die je weer kunt gebruiken om nieuwe plantjes op te kweken (zie verder het kopje Zaaien hierboven in dit artikel). Al willen we niet te hoge verwachtingen wekken: in de huiskamer verschijnen die peulen vaker niet dan wel.
2.9 Ziektes en plagen
Een gezond kruidje-roer-me-niet is weinig vatbaar voor ziektes en plagen. Althans: ’s zomers, met lekker wat zon en warmte. Dat verandert in de winter. Bij lage temperaturen en de droge lucht van een gestookte kamer kunnen vooral spint en in mindere mate witte vlieg, bladluis en wolluis opduiken. Spint herken je aan kleine geelachtige stipjes op de bladeren, een fijn web tussen de blaadjes en, bij ernstige aantasting, snel vergelend en uitvallend blad.
Bij plaagaantastingen zijn de gangbare maatregelen ook hier het effectiefst: de plant geregeld onder een lauwe douche zetten om de beestjes weg te spoelen, de luchtvochtigheid omhoog brengen door regelmatig te sproeien of een schaaltje water dichtbij te zetten, en in hardnekkige gevallen een zacht, liefst biologisch bestrijdingsmiddel toepassen volgens de aanwijzingen op de verpakking.
Doorgaans ernstiger dan plaaginsecten is wortelrot, dat optreedt wanneer de plant in een te grote pot staat en/of in een koel seizoen te veel water krijgt. Het is dan ook minder een ziekte dan een verzorgingsfout (zie verder de kopjes Water geven en Verpotten eerder in dit artikel). Een plant met wortelrot vertoont vaak vergelende en slappe bladeren, terwijl de potgrond toch duidelijk vochtig is – en dat is een belangrijk verschil met dorst, waarbij de aarde juist droog is.
2.10 Overige tips bij de verzorging
- Raak de plant niet de hele dag aan. De seismonastische beweging is weliswaar erg leuk om te zien, maar het kost de plant ook veel energie, en bij overmatige prikkeling raakt het mechanisme zelfs ‘uitgeput’ – de blaadjes blijven dan een tijdje slap hangen en reageren niet meer. En dan kunnen ze ook nauwelijks meer profiteren van zonlicht, dus is het energieverlies niet snel hersteld.
- Rode of paarsige verkleuring van de bladeren is bij het kruidje-roer-me-niet altijd een aanwijzing dat er iets niet helemaal in orde is. Meestal is de oorzaak een te lage temperatuur. Verplaats de plant in dat geval naar een warmere standplaats.
- Het kruidje-roer-me-niet bevat mimosine, een niet-eiwitvormend aminozuur dat bij grazend vee bij voldoende grote of langdurige opname tot haar- of woluitval, sloomheid en schildklierproblemen kan leiden. Als kamerplant wordt hij doorgaans niet als een groot risico voor huisdieren gezien, simpelweg omdat een kat of hond er meestal niet genoeg van eet. Plaats hem evengoed liever buiten knabbelbereik van huisdieren en kleine kinderen.
- Niet alle exemplaren overleven de eerste winter. Als je niet aan alle verzorgingseisen kunt voldoen, is het beter om mimosa’s als eenjarige te beschouwen. Niets mis mee, zeker niet als je ze uit zaad opkweekt.
3. Kruidje-roer-me-niet kopen: waar moet je op letten en waar kan het?

Het kruidje-roer-me-niet is zelden echt een vast onderdeel van het assortiment in tuincentra. Soms zie je ze overal, soms vind je na lang zoeken nog steeds niets. Doorgaans is het voorjaar de beste periode om er een tegen te komen: de kwekers leveren ze graag wanneer de groei net begint. In de zomer zie je hem wat minder vaak, en in de winter eigenlijk nooit. Bij online kamerplantenwinkels is het aanbod iets stabieler, maar ook daar kan de soort tijdelijk uitverkocht zijn.
Een tweede route, die wij om de redenen genoemd onder het kopje Zaaien eigenlijk willen aanbevelen, is zelf opkweken uit zaad. Zaden van Mimosa pudica zijn bij vele zaadhandelaren verkrijgbaar – vaak voor minder dan de prijs van één enkel kant-en-klaar plantje krijg je een zakje met tientallen zaden. Daarmee heb je meteen voldoende voorraad om er meerdere te kweken, en kun je zelfs ook nog vrienden en familie verblijden. Tip: kies zo’n zakje liefst bij een handelaar die ook andere ongewone zaden voert; dergelijke speciaalzaken hebben door de bank genomen vaker vers zaad in de schappen, en versheid bevordert de kiemkracht aanzienlijk.
Ga je voor een kant-en-klaar plantje, let dan vooral op het volgende:
- Kijk eerst eens of de plant reageert op aanraking. Bij een gezond exemplaar klapt het blad bij een lichte tik binnen een paar seconden dicht. Reageert de plant traag of nauwelijks, dan kan het zijn dat-ie al een tijdje te koud, te donker of te droog heeft gestaan, of dat-ie in de winkel net één keer te veel betast is. Probeer in zo’n geval een ander exemplaar of kom een andere keer terug.
- Let op de bladkleur. Frisgroene blaadjes zijn een goed teken; gelige of roodachtige verkleuring duidt op verzorgingsproblemen. Wat lichte bruine puntjes mag je hem doorgaans wel vergeven, want zelfs in de zorgvuldigste kas komt dat weleens voor.
- Kies bij voorkeur eerder een wat kleiner, fris uitziend exemplaar dan een grote, wat amechtige plant. Het kruidje-roer-me-niet groeit snel uit zaad en kleine planten passen zich gemakkelijker aan de huiskamer aan dan grote, gevestigde exemplaren, die al meer gewend waren geraakt aan het comfortabele kasklimaat.
- Houd er rekening mee dat de plant tijdens het transport naar huis flink op zijn ziel getrapt zal worden: alle blaadjes zullen, vaak nog vóórdat je de winkel uit bent, dichtklappen. Dat is volkomen normaal, maar probeer hem alsnog zo voorzichtig mogelijk te vervoeren. Geef je nieuwe aanwinst na thuiskomst een paar uur rust op een warme, lichte plek, en je ziet hem vanzelf weer ontvouwen.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.
