
Echinocactus grusonii, in de volksmond de schoonmoedersstoel, is een bolronde kamerplant met talrijke grote, goudkleurige stekels. Hij groeit langzaam uit van een klein bolletje tot een kolos die na enkele decennia een halve meter of meer in doorsnede kan halen. Hoe zorg je bij Echinocactus grusonii voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
1. Inleiding: wat is Echinocactus grusonii (schoonmoedersstoel) voor plant?
Echinocactus grusonii voelt zich in onze contreien uitstekend thuis in de verwarmde huiskamer, mits je een paar eenvoudige regels in acht neemt. Maar dat is uiteraard niet de natuurlijke habitat. Waar komt de schoonmoedersstoel dan vandaan, en hoe komt deze plant aan die wonderlijke naam? En welke vormen en cultivars zijn er eigenlijk? Dat bespreken we hieronder uitgebreid.
1.1 Habitat en herkomst
Echinocactus grusonii is van nature een cactus uit droge, open landschappen in Mexico. Zonnige, stenige hellingen en droog struikland, tot op hoogtes van zo’n veertienhonderd meter, waar regen snel wegloopt, als het al valt. Geheel volgens het boekje eigenlijk, precies wat je zou verwachten van een cactus.
Helaas staat die habitat sterk onder druk. In de jaren negentig verdween een fors gedeelte ervan onder water door de aanleg van de Zimapán-stuwdam in Hidalgo. In de overgebleven gedeeltes zijn verzamelaars die illegaal planten uitgraven een ware plaag. Deze kamerplant, die in tuincentra alomtegenwoordig is, wordt dan ook in de natuur ernstig bedreigd.
En dat terwijl uitgraven zo onnodig is. De schoonmoedersstoel is wereldwijd een van de meest gekweekte cactussen, en wat er tegenwoordig in onze streken in de reguliere handel staat, komt vrijwel altijd uit de kweek. Toch blijft het opletten. We komen daar onder het kopje Kopen nog op terug.
1.2 Groeiwijze en naamgeving

De schoonmoedersstoel begint zijn leven als een klein, vrijwel volmaakt rond bolletje en groeit in de loop van vele jaren langzaam uit tot een ronde tot min of meer tonvormige cactus. In het wild kan deze plant ruim een meter hoog worden en bijna net zo breed, al haalt een huiskamerexemplaar dat formaat zelden of nooit. De plant is doorgaans solitair: hij blijft één bol en vormt, anders dan veel andere cactussen, maar zelden zijscheuten. Onder de stekels is de plant fris- tot grijsgroen gekleurd en in de lengte geribbeld, met twintig tot veertig ribben op een volgroeid exemplaar.
Langs die ribben staan, keurig op gelijke afstand, de areolen: de viltige plekjes waaruit bij cactussen de stekels groeien. Bij Echinocactus grusonii zijn die stekels stevig, recht of licht gebogen, en goudgeel van kleur. Boven op de plant zit een platte kruin van witte wol, en daaruit steken de jongste, fel gekleurde stekels het scherpst naar voren.
Dat brengt ons bij de naam waaronder de plant in Nederland het bekendst is. Een fraai gevulde, bolronde cactus, helemaal bezet met naar boven gerichte gouden naalden – tja, dat is geen zitplaats die je aan een dierbaar persoon zou aanbieden. Schoonmoeders moeten het ook nog in zeker 15 andere landen ontgelden, van Zuid-Afrika en Iran tot Duitsland en Portugal.
Ook de wetenschappelijke naam, Echinocactus grusonii, vertelt een verhaal. De geslachtsnaam Echinocactus komt van het Griekse ‘echinos’, dat zowel egel als zee-egel betekent – een treffende beschrijving van een stekelige bol. De soortaanduiding grusonii is een eerbetoon aan Hermann Gruson (1821–1895), een Duitse industrieel en gepassioneerd cactusverzamelaar.
De groeisnelheid is, zeker bij jonge exemplaren, behoorlijk fors te noemen, voor een cactus althans. Op latere leeftijd zakt dat behoorlijk in. Exemplaren met een doorsnede van meer dan, pakweg, 25 centimeter kunnen al decennia oud zijn. Daartegenover staat dat een dergelijke leeftijd voor deze planten helemaal niet zo bijzonder is. Sterker nog, en dat is best bijzonder voor een kamerplant, ze kunnen ouder worden dan de gemiddelde huiskamertuinier: er zijn exemplaren bekend van ruim 100 jaar oud.

1.3 Stamboom en verwante kamerplanten
Botanisch hoort Echinocactus grusonii thuis in de cactusfamilie, de Cactaceae. Dat is een enorm gevarieerde familie. Zijn naaste verwanten in uiterlijke zin kunnen gevonden worden in het geslacht Ferocactus, de tepelcactus (Mammillaria), Gymnocalycium en Parodia. Maar tot dezelfde familie behoren ook planten die er totaal anders uitzien: de woekerende schijfcactussen van het geslacht Opuntia en hun kleine verwant Tephrocactus geometricus, en aan de andere kant van het spectrum de slappe, hangende epifytische cactussen zoals de lidcactus of kerstcactus (Schlumbergera) en rotskoraal (Rhipsalis).
Over de precieze plek van de schoonmoedersstoel in die stamboom is discussie ontstaan, en die heeft zo’n tien jaar geleden tot een naamswijziging geleid. Gezaghebbende bronnen behandelen Echinocactus grusonii inmiddels als synoniem van Kroenleinia grusonii. Toch blijft de oude naam gangbaar. We houden Echinocactus grusonii in dit artikel daarom aan als praktische naam, met de kanttekening dat Kroenleinia grusonii taxonomisch wellicht actueler is.
1.4 Soorten en cultivars
Het assortiment rond de schoonmoedersstoel is, net als bij veel cactussen, overzichtelijk. De gewone soort met zijn goudgele stekels is verreweg het bekendst en het ruimst verkrijgbaar. Daarnaast zijn er enkele afwijkende vormen in cultuur. Bekend is een vrijwel stekelloze vorm, in de handel meestal aangeduid als Echinocactus grusonii ‘Inermis’, Echinocactus grusonii var. subinermis of onder de Japanse naam ‘Togenashi Kinshachi’. Die heeft dezelfde mooie bolvorm, maar dan zonder de puntige verdediging – een uitkomst als je een huishouden met kinderen of nieuwsgierige huisdieren hebt. Verder bestaan er witbedoornde vormen, meestal als var. albispinus.
Daarnaast kom je af en toe cristate of misvormde (monstrueuze) exemplaren tegen, waarbij de groeipunt is doorgeschoten tot een grillige, kronkelende kam in plaats van een nette bol. Zulke planten worden vaak simpelweg verkocht als f. cristatus of f. monstruosus; voor echte verzamelvormen duiken ook cultivarnamen op, zoals ‘Scarascia’. Dat zijn liefhebbersplanten die je niet snel in een doorsnee tuincentrum aantreft.
Zoek je meer variatie, kijk dan ook naar de verwanten. Binnen het geslacht Echinocactus zelf is vooral Echinocactus platyacanthus de moeite waard, een nog veel groter wordende Mexicaanse cactus met meer roodachtig-bruine stekels. En zoals we onder het kopje Stamboom en verwante kamerplanten al bespraken, zijn de cactussen van het geslacht Ferocactus nauw verwant aan de schoonmoedersstoel. En ze lijken er ook behoorlijk op.
2. Verzorging Echinocactus grusonii (schoonmoedersstoel)

Voor de huiskamertuinier is de schoonmoedersstoel één van de gemakkelijkste cactussen om te houden. Hij stelt weinig eisen en gedijt eigenlijk behoorlijk bij enige verwaarlozing: juist te veel aandacht, en dan met name met de gieter in de hand, doet hem kwaad. Toch zijn er om een echt goede groei te krijgen wel enige aandachtspunten bij de verzorging. Die nemen we hieronder uitgebreid door.
2.1 Water geven
Het watergeefbeleid is, zoals bij veel cactussen, het belangrijkste punt van zorg. Dat is namelijk waar het ’t vaakst misgaat: te veel water kan betrekkelijk snel leiden tot onomkeerbare rot, en dus de dood.
De instinker is dat heel veel kamerplanten houden van gelijkmatig vochtige omstandigheden, met telkens een beetje water. De schoonmoedersstoel moet je eerder zien als een kameel. Lange, droge perioden, en dan in één keer een heel flinke slok, waarmee alle reserves weer worden aangevuld. Je kunt een exemplaar dat lang droog heeft gestaan, dan ook zichtbaar zien opzwellen na een flinke gietbeurt. Dat komt ongeveer hierop neer: geef in het groeiseizoen, grofweg van het late voorjaar tot in de vroege herfst, met ruime tussenpozen water, en laat de potkluit daartussen helemaal opdrogen. Als je twijfelt of het al tijd is, wacht je gewoon nog een paar dagen; bij deze plant is te droog vrijwel altijd minder erg dan te nat. Laat overtollig water volledig weglopen, zodat de plant nooit in een laagje water blijft staan.
In de winter draai je de kraan vrijwel helemaal dicht. Een schoonmoedersstoel die koel en droog overwintert, verbruikt nauwelijks vocht en heeft aan een enkele spaarzame gift per maand, of zelfs helemaal niets, ruim genoeg. Die droge winterrust vergroot bovendien de kans dat de plant nog eens gaat bloeien. Daarover meer onder de kopjes Temperatuureisen en Bloeiwijze verderop in dit artikel.
2.2 Temperatuureisen
In het groeiseizoen heeft de schoonmoedersstoel het graag warm; gewone kamertemperatuur of hoger is prima, en ook een hete zomerdag op een zonnige vensterbank verdraagt hij goed. Wat hij in de winter waardeert, is juist een koelere periode. Een onverwarmde maar vorstvrije ruimte met een temperatuur van ongeveer tien tot twaalf graden is ideaal. In combinatie met een droge winterrust houdt zo’n koele standplaats de plant compact en vergroot die de kans op bloei.
Vorst moet je echter beslist vermijden. In zijn natuurlijke omgeving kan Echinocactus grusonii kortstondig lichte vorst verdragen, mits hij kurkdroog staat; hij is daarmee winterharder dan menig andere cactus. Reken daar bij een kamerplant echter niet op. Bovendien, hoe kouder hij staat, hoe belangrijker het wordt dat hij echt droog is, omdat er anders rot kan optreden.
2.3 Standplaats
Op het punt van licht is de schoonmoedersstoel onverzadigbaar. Geef hem de allerlichtste plek die je in huis hebt; volle zon is een pré. Krijgt de plant te weinig licht, dan groeit hij bleekjes en langgerekt uit en verliest hij zijn fraaie ronde vorm, en dat herstelt zich niet meer. Veel en fel zonlicht houdt de plant daarentegen compact en de stekels mooi goudgeel gekleurd.
2.4 Voeding
Veel voeding heeft de schoonmoedersstoel niet nodig, gezien zijn trage groei. Tijdens het groeiseizoen kun je ongeveer eens per maand een dosis speciale cactusvoeding geven, mits hij ook daadwerkelijk aan de groei is. In de winterrust geef je überhaupt geen voeding.
2.5 Verpotten
Het belangrijkste bij het verpotten is het grondmengsel. Gebruik een goed doorlatend, schraal en mineraalrijk mengsel: speciale cactus- of vetplantengrond, eventueel vermengd met grof zand, perliet of fijn grit. Het doel is voorkomen dat de wortels langere tijd in een natte kluit zitten. Een te grote pot werkt daarbij averechts, want al die extra natte grond rondom de wortels droogt traag op. De schoonmoedersstoel staat juist prima wat krap in zijn pot.
Jonge planten, die vaak wat sneller groeien, verpot je gerust elk jaar naar een maatje groter. Bij oudere, traag groeiende exemplaren kun je dat terugbrengen tot eens in de twee à drie jaar, of uiteindelijk praktisch nooit. Doe het verpotten bij voorkeur aan het begin van het groeiseizoen, en geef daarna een paar dagen geen water, zodat eventuele beschadigde worteltjes de kans krijgen dicht te drogen. Het is overigens geen sinecure om zo’n stekelbal vast te pakken; daarover meer onder het kopje Overige tips bij de verzorging verderop.
2.6 Snoeien
Snoeien is bij een schoonmoedersstoel niet aan de orde. Het enige wat hier in de buurt komt, is het wegsnijden van weefsel dat is gaan rotten. Mocht dat onverhoopt nodig zijn, snijd dan met een schoon, scherp mes ruim in het gezonde, vaste weefsel, laat de wond goed opdrogen en houd de plant daarna een poos extra droog. Zie ook het kopje Ziektes en plagen hieronder.
2.7 Vermeerderen
Vermeerderen vraagt bij deze kamerplant vooral geduld. Omdat de schoonmoedersstoel zo zelden zijscheuten vormt en in huis nauwelijks tot bloei en zaad komt, is het thuis niet de meest dankbare plant om zelf te vermeerderen. Toch zijn er twee routes, die we hieronder kort bespreken.
2.7.1 Stekken
Stekken in de gebruikelijke zin van het woord lukt bij een schoonmoedersstoel niet: de plant blijft één bol en levert geen handige scheuten om af te snijden. Heel af en toe vormt een ouder exemplaar wel een klein zijbolletje, een zogeheten kindje. Zo’n kindje kun je voorzichtig losdraaien of -snijden, de snijwond een paar dagen laten opdrogen, en daarna in licht vochtige cactusgrond zetten om te bewortelen. Houd het mengsel daarbij warm. Verwacht er niet te veel van: bij deze soort is het meer uitzondering dan regel.
2.7.2 Zaaien
Zaaien is in de praktijk de gangbare manier waarop schoonmoedersstoelen worden vermeerderd, ook in de kwekerij. Omdat je plant binnenshuis vrijwel nooit bloeit en dus geen eigen zaad zet (zie het kopje Bloeiwijze hieronder), zul je het zaad doorgaans moeten kopen. Dat is echter vrij ruim beschikbaar. Zaai oppervlakkig in een schraal, goed doorlatend zaaimengsel, houd dat licht vochtig en warm, en geef het geheel veel licht. Ontkiemen kan enige tijd duren, en daarna begint het echte wachten pas: het duurt jaren voordat zo’n zaailing uitgroeit tot een herkenbaar cactusje.
2.8 Bloeiwijze

Als een schoonmoedersstoel bloeit, is dat best de moeite. In de zomer verschijnt er dan een krans van gele bloemen rond de viltige kruin boven op de plant. Het woord ‘als’ is hier echter cruciaal, want de plant doet er lang over. Pas oudere, flink grote exemplaren komen in bloei. Het kan zo twintig jaar duren voordat de plant voor het eerst bloeit.
Sowieso zijn bloemen in de huiskamer een zeldzaamheid. De plant heeft daarvoor heel veel zon nodig; ook een koele, droge winterrust blijkt in de praktijk vaak een vereiste te zijn.
2.9 Ziektes en plagen
Te veel water geven is verreweg het grootste gevaar voor de schoonmoedersstoel. Wortelrot en stamrot door te veel water en te weinig drainage zijn de voornaamste doodsoorzaken bij deze plant; raadpleeg verder de kopjes Water geven en Verpotten. Een plant die zacht aanvoelt of aan de onderkant bruin en glazig wordt, is bijna altijd te nat gehouden.
Van echte plagen heeft de plant verder weinig te duchten. Soms duiken er wolluis, schildluis of spintmijt op, vooral bij een plant die warm staat in droge lucht. Wolluis verstopt zich graag in de viltige kruin en tussen de stekels, waar hij lastig te zien is. Controleer de plant daarom af en toe en behandel een beginnende aantasting zo nodig met een middel dat voor gebruik binnenshuis is toegelaten; volg daarbij het etiket.
2.10 Overige tips bij de verzorging
De grootste praktische uitdaging bij deze plant is om er veilig mee te werken – de stekels zien er niet alleen formidabel uit, maar ze zijn echt scherp en zeer stevig. Bij het verpotten of verplaatsen pak je een schoonmoedersstoel daarom niet met je blote handen vast, maar sla je er een brede strook stevig opgevouwen krant of een heel dikke handdoek omheen, waarmee je hem kunt optillen. Stevige tuinhandschoenen kunnen ook uitkomst bieden, maar test ze eerst uit, bijvoorbeeld door met je hand op de plant te drukken. Als je hem eenmaal hebt opgepakt en je dan pas merkt dat de stekels door de bescherming heen prikken, wordt dat heel snel heel vervelend.
Oudere exemplaren beginnen vaak van onderen een beetje te verkurken. De onderkant wordt dan bruin, droog en hard. Dat is enigszins ontsierend, maar volstrekt normaal. Er is niets tegen te doen. Het is een beetje vergelijkbaar met een boompje, dat eerst een frisgroene stengel heeft maar later verhout.
3. Echinocactus grusonii kopen: waar moet je op letten en waar kan het?

De schoonmoedersstoel is een uitstekend verkrijgbare cactus. Je vindt hem in vrijwel elk tuincentrum en bij de meeste plantenwinkels, in alle maten. Zelfs een behoorlijk fors exemplaar is vaak best betaalbaar, al hebben de echte knoeperds natuurlijk jaren aan kweekwerk gevergd, en dat merk je aan de kassa.
Let bij de aankoop vooral op de algemene indruk. Een goede schoonmoedersstoel voelt stevig en hard aan en is egaal groen, met een mooie ronde vorm en stekels die dicht op elkaar en gelijkmatig verdeeld staan. Vermijd planten die zacht, ingedeukt of geschrompeld aanvoelen, en houd vooral de onderkant en de overgang naar de pot in de gaten: bruine, zachte of glazige plekken daar wijzen op rot. Een schrielig, qua vorm onaantrekkelijk exemplaar kun je beter laten staan; dat trekt in de huiskamer niet meer bij.
Daarnaast een korte opmerking over herkomst. Zoals we bij het kopje Habitat en herkomst al bespraken is Echinocactus grusonii in het wild bedreigd, terwijl wat in de winkel staat vrijwel altijd netjes is opgekweekt. Heel grote, onregelmatig gevormde exemplaren, exemplaren van iemand die niet duidelijk een gerenommeerde handelaar is of die ze opvallend goedkoop aanbiedt, moet je laten staan. Dat is niet alleen om de illegale handel niet te ondersteunen, maar ook in je eigen belang. Wilde exemplaren zijn namelijk absoluut niet gewend aan huiskameromstandigheden; de kans dat je ze goed houdt, is zeer beperkt.
Voor zover ons bekend is de schoonmoedersstoel niet giftig voor mensen of huisdieren. Kinderen of andere huisgenoten zullen vanwege de stekels ook wel nalaten om er een hapje van te nemen. Plaats je kamerplant echter desondanks buiten bereik. De stekels zijn serieus scherp, sterk genoeg om je eerst te prikken voordat ze afbreken, en het is gemakkelijk om je eraan te verwonden.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.
