
De abutilon is een uitzonderlijk rijkbloeiende kamerplant, met klokvormige hangende bloemen in vrijwel alle kleuren van de regenboog. Hoe zorg je bij abutilons voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
- Inleiding: wat is de abutilon voor plant?
- Verzorging abutilon
- Abutilon kopen: waar moet je op letten en waar kan het?
- Reacties
1. Inleiding: wat is de abutilon voor plant?

Voor een plant die zoveel verschillende verschijningsvormen kent als de abutilon is het opmerkelijk lastig om in één zin te zeggen wat het nou eigenlijk voor een gewas is. Er bestaan onder de abutilons stevige struiken, slanke boompjes en uitgesproken klimmers; er zijn soorten met effen groen blad en cultivars met bont blad in groen, geel en wit; en de bloemen zijn er in zo ongeveer alle kleuren behalve blauw. De rode draad door dit hele assortiment is de klokvormige bloem met vijf bloembladen, en het enorm lange bloeiseizoen. Een goed verzorgde abutilon bloeit van het late voorjaar tot diep in de herfst praktisch onafgebroken door.
De naam Abutilon is overigens een merkwaardig oud woord voor een geslacht dat pas in de achttiende eeuw formeel werd beschreven. Het is een verlatijnste vorm van het Arabische ʾabū-ṭīlūn, een naam die de Perzische geneeskundige Avicenna (Ibn Sina, circa 980–1037) gebruikte in zijn invloedrijke Canon van de geneeskunde. Of Avicenna daarbij precies het geslacht voor ogen had dat wij vandaag de dag abutilon noemen is overigens niet helemaal zeker; vermoedelijk doelde hij op een naverwante kaasjeskruidachtige. Zie ook het kopje Stamboom en verwante kamerplanten verderop in dit artikel.
1.1 Habitat

Het geslacht Abutilon is bijzonder soortenrijk: circa 160 soorten, misschien nog wel meer. Ze komen van nature voor in de tropen en subtropen van Noord-, Midden- en Zuid-Amerika, Afrika, Azië en Australië. Het zwaartepunt van de soortenrijkdom ligt in tropisch Amerika; veel cultuurvormen die wij als kamer- en kuipplant kweken hebben dan ook een Zuid-Amerikaanse achtergrond.
Met name Brazilië heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van de sierabutilon. Abutilon megapotamicum (waarover later meer; zie het kopje Abutilon megapotamicum) komt volgens de huidige taxonomie als Callianthe megapotamica van nature voor in Zuid-Brazilië, en Abutilon pictum staat tegenwoordig formeel bekend als Callianthe picta, met een verspreiding van Zuid-Brazilië tot Noordoost-Argentinië. De etiketten in de handel lopen daar overigens rustig een paar botanische congressen op achter.

Een wat curieuzer voorbeeld is Abutilon darwinii, tegenwoordig Callianthe darwinii. Die soort werd niet door Darwin zelf tijdens de reis met de HMS Beagle geplukt, zoals soms wordt verteld. De Duitse natuuronderzoeker Fritz Müller stuurde zaden uit Brazilië naar Darwin, Darwin kweekte de planten op in zijn kas, en Joseph Dalton Hooker gaf de soort later Darwins naam. Het gekke, en voor Darwin juist interessante, was dat sommige planten in het begin van het seizoen zichzelf niet of nauwelijks konden bevruchten, maar later in het seizoen toch wel. Waarom de planten dit doen, is nog altijd een open vraag in de wetenschap.
In Noord-Amerika, in de zuidwestelijke staten en Mexico, komen ook diverse soorten van nature voor, waaronder Abutilon palmeri en Abutilon wrightii, die in onze streken overigens zelden of nooit als kamerplant te krijgen zijn. Voor de huiskamertuinier is dat geen verlies – het zijn vooral soorten voor zonovergoten tuinen in een warm klimaat. En verder zijn er nog Afrikaanse soorten, Australische soorten en bijvoorbeeld de Centraal- en Oost-Aziatische Abutilon theophrasti, die al millennia wordt geteeld voor zijn taaie bastvezels. Daarover meer bij het kopje Overige Abutilon-soorten verderop.
1.2 Groeiwijze

Een doorsnee abutilon is een licht verhoute struik, met dunne, tamelijk veerkrachtige takken die zonder enige steun behoorlijk recht omhoog kunnen groeien. In de huiskamer worden de gangbare hybriden meestal een halve tot anderhalve meter hoog; in een ruime kuip kan dat in een groeizame zomer al snel oplopen tot ruim manshoog. De van nature klimmende soort Abutilon megapotamicum wordt ook wel als hangplant gekweekt en kan bij voldoende licht meterslange takken vormen, die fraai over de rand van een pot of mand hangen.
De bladeren zijn doorgaans hartvormig met vingerige inkepingen, en bezitten een opvallend duidelijke nervatuur. Bij veel cultivars is de gelijkenis met een esdoornblad treffend, hetgeen ook tot uitdrukking komt in diverse Engelse triviale namen: daar kennen ze abutilons onder andere als flowering maple, parlor maple en room maple.. Sommige cultivars hebben uitgesproken bonte bladeren met heldergele tot bijna witte vlekken; bij andere is het blad effen mat- tot diepgroen. Bij oudere bladeren ontstaat een wat fluwelige textuur, met fijne haartjes die het oppervlak een typische zachte glans geven. Vandaar trouwens ook de algemene Engelse naam velvetleaf (fluweelblad).
De bloemen verschijnen in de bladoksels, vaak op vrij lange dunne steeltjes, en hangen meestal naar beneden. Bij sommige soorten en cultivars zijn ze nadrukkelijk klokvormig, bij andere openen ze zich wat verder en doen ze haast denken aan een kleine hibiscusbloem – wat ergens niet zo verbazend is, gezien hibiscus tot dezelfde familie behoort. Zie ook het kopje Stamboom en verwante kamerplanten hieronder. Wat alle abutilon-bloemen gemeen hebben, en wat ze nogal kenmerkend maakt voor de hele kaasjeskruidfamilie, is de centrale meeldraadkolom: de meeldraden zitten aan de basis aan elkaar vergroeid tot een buisje, waar de stamper centraal doorheen steekt. Bekijk een abutilon-bloem dus eens van dichtbij, of zie de foto hieronder: het is een opmerkelijk detail.

Een individuele bloem houdt het maar enkele dagen vol, maar dat is geen bezwaar: bij goede omstandigheden vormt een gezonde abutilon zo veel nieuwe knoppen dat er vrijwel altijd meerdere bloemen tegelijk in bloei staan. Sommige hobbyisten houden van het effect van vergane bloemen die nog enige tijd aan de plant blijven hangen, andere knippen ze er liever bijtijds af. Beide kan, net wat je voorkeur heeft; het beïnvloedt de groei en de bloei niet noemenswaardig.
1.3 Stamboom en verwante kamerplanten
De abutilon behoort tot de Malvaceae, in het Nederlands de kaasjeskruidfamilie. Andere kamerplanten uit diezelfde familie zijn Hibiscus (chinese roos), Pachira aquatica (geldboom), Sparmannia africana (kamerlinde) en Brachychiton (geluksboom). De gelijkenis valt het meest op bij hibiscus: ook die kent klokvormige bloemen met vijf bloembladen en een opvallende meeldraadkolom waar de stamper centraal doorheen steekt. Op het oog wat verder verwijderd, maar binnen dezelfde familie, staat de kamerlinde, die qua bloei het meest doet denken aan een kleinbloemige hibiscus en die net als de abutilon door menig liefhebber als kuipplant wordt gehouden.
Een aandachtspunt is dat het geslacht Abutilon botanisch nogal in beweging is geweest. Een aantal soorten die je in tuincentra nog altijd onder de naam Abutilon tegenkomt, waaronder Abutilon pictum, Abutilon megapotamicum en Abutilon darwinii, worden door botanici onder het geslacht Callianthe geplaatst. Voor de huiskamertuinier verandert er in de praktijk vrij weinig: de planten zijn qua verzorging niet of nauwelijks te onderscheiden, en in de handel wordt nog vrijwel uitsluitend de oude naam Abutilon gebruikt. We doen in dit artikel zodoende hetzelfde, maar benoemen de nieuwere namen waar ze nuttig zijn.
1.4 Soorten

Van de bijna tweehonderd soorten in het geslacht Abutilon wordt slechts een handvol als sierplant gekweekt. Daarnaast zijn er echter talloze cultivars en kruisingen, in opmerkelijk veel verschillende kleurcombinaties. Hieronder bespreken we de drie groepen die voor de Nederlandse huiskamertuinier het meest relevant zijn.
1.4.1 Abutilon × hybridum
Verreweg het bekendste assortiment in tuincentra en bloemenwinkels is de groep van Abutilon × hybridum: een verzamelnaam voor een onontwarbare kluwen van cultivars en kruisingen waarvan de exacte afstamming meestal niet bekend is. Over het algemeen vormen de planten in deze groep rechtopgaande, spreidende, groenblijvende struiken of kleine boompjes met esdoornachtig blad en klokvormige bloemen in onder meer wit, geel, rood en oranje. De vermoedelijke voorouders liggen vooral bij Zuid-Amerikaanse soorten die nu deels onder Callianthe vallen, waaronder Abutilon pictum en Abutilon darwinii. In de handel staan ze nog altijd als Abutilon te boek.
De bloemen van deze hybriden zijn meestal vrij forse, klokvormige of soms wat meer openstaande bloemen, die kunnen variëren in kleur van wit en zachtgeel via oranje en zalmroze tot dieprood. Bij veel cultivars zijn de bloembladen voorzien van donkerder gekleurde, adervormige lijntjes – een eigenschap die ze grotendeels te danken hebben aan Abutilon pictum als voorouder. Enkele bekende cultivars uit deze groep:
- Abutilon ‘Kentish Belle’: zachtgele tot oranje bloemen met opvallende donkerrode kelk en rode aderen op de bloembladen.
- Abutilon ‘Canary Bird’: zoals de naam doet vermoeden, heldergele bloemen.
- Abutilon ‘Souvenir de Bonn’: een oudere cultivar met fraai geel-wit gerand groen blad en oranjerode bloemen met donkerrode adering.
- Abutilon ‘Savitzii’: een spectaculair bonte cultivar met overwegend wit blad waarop slechts kleine groene vlekjes zitten. Zachtoranje bloemen. Vanwege, om het technisch te zeggen, het lage chlorofylgehalte een wat lastiger te kweken plant – zie ook het kopje Standplaats verderop.
- Abutilon pictum ‘Thompsonii’: geen doorsnee bonte cultivar, maar een plant waarvan de gele vlekken worden veroorzaakt door het abutilonmozaïekvirus. Dat wordt overigens voornamelijk overgebracht door witte vlieg, en is alleen besmettelijk voor enkele abutilonsoorten. De plant groeit er minder goed door, en is dus iets minder gemakkelijk tevreden te houden in de huiskamer. Daar staat tegenover dat veel mensen de mozaïekvormige vlekken zeer waarderen.
1.4.2 Abutilon megapotamicum

Een soort die qua uiterlijk duidelijk afwijkt van de overige cultivars is Abutilon megapotamicum, soms ook ‘Belgische vlag’ genoemd. De plant heeft een enigszins klimmende of overhangende groeiwijze en relatief smalle, lancetvormige bladeren. De bloemen zijn nadrukkelijk klokvormig en hangen aan dunne stengeltjes onder de takken: een opgeblazen rode kelk, waaruit gele bloembladen tevoorschijn komen en een opvallend donkerpaarse meeldraadkolom naar buiten steekt. Met enige fantasie zijn de drie kleuren – rood, geel en paars-zwart – te herkennen als die van de Belgische driekleur, vandaar de bijnaam.
De soortnaam megapotamicum betekent ‘van de grote rivier’ en verwijst naar het stroomgebied van de Río de la Plata, die onder andere door Zuid-Brazilië loopt en uitmondt op de grens tussen Argentinië en Uruguay. De huidige geaccepteerde naam is Callianthe megapotamica; Abutilon megapotamicum is de gebruikelijke handelsnaam. A. megapotamicum is van alle abutilons de meest geschikte om als hangplant te houden, en hij wordt ook regelmatig tegen muurtjes of klimrekken geleid. Mits goed beschut overleeft de soort in onze contreien soms een milde winter buiten; zie ook het kopje Verzorging als tuinplant verderop.
Een kruising van deze soort met A. pictum is Abutilon × milleri, een hybride met de hangende groeiwijze van A. megapotamicum maar grotere, meer openstaande bloemen in zachtgele tot oranje tinten.
1.4.3 Overige Abutilon-soorten
Naast de hybriden en Abutilon megapotamicum zijn er nog enkele andere soorten die een eigen vermelding waard zijn:
- Abutilon × suntense: tegenwoordig meestal Corynabutilon × suntense, een kruising tussen A. ochsenii en A. vitifolium. Dit is een krachtige, snelgroeiende, zachte houtige struik met grote, zijdeachtige bloemen, vaak mauve met oranje meeldraden. Deze hybride is duidelijk kouderesistenter dan de gewone kamerabutilons, maar echt volledig winterhard kunnen we hem toch niet noemen in onze contreien.
- Abutilon theophrasti: de typesoort van het geslacht en taxonomisch dus de meest ‘echte’ abutilon. Deze Centraal- en Oost-Aziatische soort wordt al zeer lang in China verbouwd voor de taaie bastvezels in zijn stengels – een product dat soms wordt aangeduid als Chinese jute. In de Verenigde Staten wordt deze plant beschouwd als één van de hardnekkige akkeronkruiden. Als kamerplant heeft A. theophrasti weinig sierwaarde – de bloemen zijn klein en bleekgeel, het blad is fors en behaard, en de plant wordt bovendien al snel wat te groot voor de huiskamer.
- Abutilon palmeri: een soort uit Mexico en het zuidwesten van de Verenigde Staten, met grijsgroen, fluweelzacht blad en heldergele bloemen. Geschikt als kuipplant voor wie van een wat woestijnachtige uitstraling houdt; zelden verkrijgbaar.
2. Verzorging abutilon (Abutilon)

Voor een bloeiende kamerplant is de abutilon betrekkelijk gemakkelijk te verzorgen. Met enige aandacht, veel licht en liefst ook warmte kan deze plant maandenlang doorbloeien, hetgeen voor een tropische bloeier toch wel uitzonderlijk is.
Een belangrijke factor om in het achterhoofd te houden is dat de meeste abutilons geen strikte huiskamerplanten zijn, maar bij voorkeur als kuipplant worden behandeld. ’s Zomers buiten op het balkon of het terras doet de plant het in de regel beter dan binnen, en ’s winters heeft hij juist baat bij een wat koelere standplaats in plaats van de warmgestookte huiskamer. Zie ook het kopje Verzorging als tuinplant later in dit artikel.
2.1 Water geven
Abutilons hebben een vrij stevige dorst. Het zijn tropische tot subtropische planten met dunne, op geen enkele manier tegen uitdroging beschermde bladeren, en in een huiskamer, waar de luchtvochtigheid vaak aan de lage kant is, kun je dat goed merken. In de zomer, bij actieve groei en bloei, mag je rijkelijk gieten. Houd de potgrond licht vochtig, maar niet drassig. Een handige vuistregel is om de toplaag tussen twee gietbeurten net te laten opdrogen.
Een veelgemaakte fout is om in de zomer juist te weinig water te geven. Bij watergebrek gaat een abutilon onmiddellijk slap hangen: bladeren en bloemknoppen verwelken zichtbaar. Geef je dan tijdig water, dan kan de plant zich vaak nog herstellen, maar je verliest al snel diverse bloemknoppen. En aangezien de bloei het kroonjuweel van deze kamerplant is, is dat zonde.
In de winterperiode neemt de waterbehoefte sterk af, met name als je de plant koel laat overwinteren (waarover meer bij het kopje Temperatuureisen hieronder). Dan volstaat het om eens in de week of veertien dagen wat water te geven, net genoeg om de potkluit niet helemaal uit te laten drogen. Bij een koele standplaats is wortelrot een groter risico dan uitdroging.
2.2 Temperatuureisen
In de groeiperiode, van het late voorjaar tot in de herfst, voelt de abutilon zich het beste bij temperaturen tussen de 18 en 25 graden. (Veel) hoger mag ook, mits de luchtvochtigheid wat omhoog gaat. Bij langdurige hitte boven de 28 graden in een droge huiskamer kun je het knoppenverlies zien oplopen.
Veel interessanter zijn de wintereisen. Een abutilon profiteert namelijk beduidend van een rustperiode bij betrekkelijk lage temperaturen. Hartje winter is een standplaats van rond de 10 graden, met een minimum van zo’n 5 graden en een maximum van 15 graden, doorgaans ideaal. Wie de plant in een verwarmde huiskamer door laat groeien, krijgt vaak last van slappe, sprieterige uitgroei, vroegtijdig afgevallen bladeren en een verhoogde vatbaarheid voor plaaginsecten – met name spint. Een onverwarmde maar lichte serre of zolderkamer is in deze fase dus juist beter dan de woonkamer.
Vorst verdraagt vrijwel geen enkele in de handel gebruikelijke abutilon. Een uitzondering is Abutilon × suntense, die in beschutte tuinen enkele graden vorst kan doorstaan. Voor alle andere abutilons geldt: vorstvrij overwinteren is een must.
2.3 Standplaats
Licht is voor de bloei van een abutilon onontbeerlijk. Op een plaats zonder direct zonlicht zul je nog redelijk veel blad zien, maar de plant zal nauwelijks bloemknoppen vormen. Een plek bij een lichtrijk raam op het zuiden, zuidwesten of zuidoosten geeft veruit de beste resultaten. In de zomer is enige beschutting tegen de allerfelste middagzon doorgaans wel aan te bevelen, vooral als de plant achter glas staat en de temperatuur daar flink oploopt.
Bij bonte cultivars zoals ‘Savitzii’ ligt de lat nog een stukje hoger. Doordat ze minder bladgroen bevatten, kunnen ze zich bij een matige lichtval onvoldoende voeden. Het gevolg is doorgaans dat ze de winter niet doorstaan, of in het voorjaar bijna alle blad afwerpen. Geef deze cultivars daarom zo veel licht als mogelijk is, ook ’s winters.
Buiten zetten in de zomer (vanaf medio mei, na de ijsheiligen) is een aanrader. De plant krijgt buiten gewoonlijk meer licht en frisse lucht dan binnenshuis, en dat resulteert in een aanzienlijk betere bloei en een fors lagere kans op plaaginsecten. Geef hem wel een paar weken om te wennen aan het felle buitenlicht; verplaats hem dus in eerste instantie naar een halfbeschaduwd plekje, en pas daarna naar de volle zon. Anders kunnen de oude bladeren verbranden.
2.4 Voeding
Een rijkbloeiende plant is een hongerige plant. Geef je abutilon in de groeiperiode (april tot eind september) elke één tot twee weken vloeibare plantenvoeding, volgens de aanwijzingen op de verpakking. Een specifieke bloeiplantenvoeding met wat extra kalium kan iets meer en grotere bloemen opleveren dan een algemene voeding, al is het verschil meestal beperkt.
In de winter, en met name bij koel overwinteren, geef je geen voeding. De plant neemt het op dat moment toch niet op, en een overvloed aan meststoffen die blijft hangen in de potgrond kan op den duur de wortels beschadigen.
2.5 Verpotten
Een gezonde, snelgroeiende abutilon verpot je idealiter elk voorjaar, vlak voordat de groei weer op gang komt – meestal in maart of april. Kies een pot die één maat groter is dan de vorige. Bij oudere planten, vanaf een jaar of vier, kun je deze frequentie terugbrengen, zeker als je de plant eigenlijk niet groter wilt laten worden.
Gebruik een goede, voedzame potgrond met voldoende structuur. Eenvoudige standaard-potgrond uit het tuincentrum voldoet doorgaans goed, maar je kunt er voor het gemak nog wat perliet, scherp zand of fijne tuinkorrels doorheen mengen om de waterafvoer te verbeteren.
2.6 Snoeien
In tegenstelling tot veel andere kamerplanten verdraagt de abutilon snoei niet alleen goed, het is bovendien een verzorgingshandeling waar de plant uitgesproken bij gebaat is. Zonder regelmatige snoeibeurten krijgen ze al snel een al te open en slordig model, met lange, ongerichte uitlopers
Zo’n stevige snoeibeurt geef je het beste in het late voorjaar, vlak voordat de groei begint, bijvoorbeeld in maart. Kort dan alle takken in met ongeveer een derde tot de helft. De plant zal vervolgens snel weer uitlopen, en doordat hij dat doet vanuit meerdere okselknoppen, krijgt-ie automatisch een vollere, struikvormige groei. Bovendien bloeit de abutilon op de nieuwe scheuten, dus stevig terugsnoeien betekent een rijkere bloei.
Tijdens het groeiseizoen kun je daarnaast jonge scheuten af en toe even inkorten of toppen om een nog compactere groei te bevorderen. Doe dat niet meer vanaf de nazomer, want dan gaat de plant meestal min of meer in rust.
2.7 Vermeerderen

Abutilons zijn op twee manieren te vermeerderen: stekken en zaaien. Beide opties zijn betrekkelijk gemakkelijk uitvoerbaar, met dien verstande dat stekken vooral zinvol is voor specifieke cultivars (de eigenschappen blijven dan behouden) en zaaien meer geschikt is voor de echte soorten.
2.7.1 Stekken
Stekken is bij de abutilon opvallend gemakkelijk. De beste resultaten worden meestal behaald met topstekken van enigszins verhoute scheuten van de voorgaande zomer, genomen in het late voorjaar of de vroege zomer. Snijd een topscheut van zo’n 10 tot 15 centimeter af, vlak onder een blad. Verwijder de onderste bladeren, zodat je een naakte stengel van een paar centimeter overhoudt om in de stekgrond te steken.
Doop het ondereinde eventueel even in stekpoeder (al is dat meestal niet strikt nodig) en zet de stek in een potje met zaai- en stekgrond, of een mengsel van potgrond en perliet. Houd het geheel licht vochtig en zet het op een lichte plek bij kamertemperatuur. Een doorzichtige plastic zak over de pot, om de luchtvochtigheid hoog te houden, versnelt het proces. Vergeet niet om elke paar dagen even te luchten om schimmel te voorkomen.
Na een week of drie tot zes zijn de eerste wortels meestal gevormd. Verpot de stek dan voorzichtig naar gewone potgrond. Bij een vroege stek kun je soms nog dezelfde zomer al een aardig plant hebben met enkele bloemen.
2.7.2 Zaaien

Zaaien van een abutilon is, ten opzichte van het stekken, vooral interessant voor wie een bijzondere soort wil kweken die niet als plant verkrijgbaar is, of die experimenteert met hybriden. Houd er rekening mee dat zaden van Abutilon × hybridum-cultivars vrijwel nooit ‘soortecht’ uitkomen; je krijgt dan kiemplantjes met allerlei verschillende kenmerken, waarvan een aantal vermoedelijk minder fraai is dan de oorspronkelijke moederplant. Voor liefhebbers is dat natuurlijk juist de charme.
De zaden zijn klein, hard en hebben een wat hoekige vorm. Het loont om ze voor het zaaien 24 uur in lauw water te laten weken; dat versnelt de kieming. Zaai ze daarna ondiep in zaai- en stekgrond, dek af met een dun laagje vermiculiet of fijne grond en houd het geheel vochtig bij ongeveer 20 graden. De kieming begint meestal binnen één tot drie weken.
Kiemplantjes verspenen kan als ze twee of drie echte bladeren hebben. De eerste bloemen kunnen al binnen het eerste jaar verschijnen, afhankelijk van de soort en de groeiomstandigheden.

2.8 Bloeiwijze

De bloeiwijze van een abutilon is, zoals al benoemd bij het kopje Groeiwijze hierboven, vrij klassiek kaasjeskruidachtig: vijf bloembladen, een opvallende meeldraadkolom waar de stamper centraal doorheen steekt, en een kelk die soms klein en groen blijft, soms (zoals bij A. megapotamicum) opbolt tot een soort gekleurde lampion. De bloemen verschijnen in de bladoksels en hangen vrijwel altijd aan een lang, dun steeltje naar beneden.
Bij goed verzorgde planten kan een bloeiseizoen lopen van mei tot oktober, in een verwarmde kamer zelfs nog langer. Individuele bloemen vallen na enkele dagen af, maar gezien de hoeveelheid knoppen die een gezonde plant aanmaakt is dat doorgaans geen probleem. Het staat vaak beter om uitgebloeide bloemen te verwijderen, maar als je ze laat zitten heeft dat geen invloed op de verdere groei en bloei.
Als je plant opvallend laat is met het maken van bloemknoppen, kijk dan in eerste instantie kritisch naar het licht (zie het kopje Standplaats) en daarna naar de voeding. Lichtgebrek is verreweg de meest voorkomende oorzaak van een tegenvallende bloei.
2.9 Ziektes en plagen
Abutilons zijn niet bijzonder ziektegevoelig, maar plaaginsecten zijn een ander verhaal. Met name in de winter, in een verwarmde en droge huiskamer, kunnen de planten flink te lijden hebben onder:
- Spint – eigenlijk geen insect maar een spinachtige. Spint veroorzaakt fijne lichte stipjes op de bladeren en in een gevorderd stadium ook fijne webjes tussen de bladstelen. Een veelvoorkomende oorzaak is een te lage luchtvochtigheid in combinatie met te hoge kamertemperaturen. Zie ook het kopje Temperatuureisen eerder in dit artikel.
- Witte vlieg – vrij algemeen op abutilons. Bij de minste aanraking vliegt er een wolkje witte vliegjes vanonder de bladeren op. Witte vlieg is hardnekkig, omdat de larven onderaan de bladeren zitten en zich vanuit één plant snel door de hele plantenverzameling kunnen verspreiden.
- Bladluis – vooral op jonge scheuten en knoppen. Goed te herkennen aan de plakkerige honingdauw die de luizen achterlaten.
- Schildluis – minder algemeen, maar zeker niet ongebruikelijk. De diertjes zijn lastig te herkennen omdat ze zich vermommen als kleine bruine bultjes op de stengels en de hoofdnerven van de bladeren.
Voor alle bovengenoemde plagen geldt dat een tijdige aanpak het probleem klein kan houden. Een douche met lauw water werkt verrassend goed tegen spint en bladluis. Voor witte vlieg en schildluis is een biologisch bestrijdingsmiddel meestal beter geschikt; volg de aanwijzingen op de verpakking.
De beste preventie is echter een goede standplaats. Een koele, lichte standplaats in de winter zorgt dat de plant minder gestrest is en daardoor inherent minder vatbaar voor plaaginsecten. ’s Zomers buiten zetten doet vaak wonderen: natuurlijke vijanden (lieveheersbeestjes, gaasvliegen, parasitaire wespen) houden de plagen dan veelal in toom.
2.10 Verzorging als tuinplant

Vrijwel elke abutilon doet het ’s zomers beter buiten dan binnen. Je kamerplant kun je in de zomer dan ook als kuipplant op het balkon of terras zetten, of zelfs ingegraven in de tuin. Wel zul je hem in het najaar weer naar binnen moeten halen, want zoals al benoemd bij het kopje Temperatuureisen hierboven zijn vrijwel alle abutilons niet of nauwelijks vorstbestendig.
Het beste moment om de planten naar buiten te zetten is na de ijsheiligen, dus vanaf medio mei. Doe dat geleidelijk: een paar dagen op een beschaduwd plekje om te wennen aan het buitenlicht, en pas daarna verplaatsen naar de definitieve, zonnigere standplaats. Anders is verbranding van de bladeren een reëel risico. Ditzelfde geleidelijke wennen, maar dan in omgekeerde volgorde, geldt voor het naar binnen halen in de herfst, ergens in september of oktober afhankelijk van de weersvoorspellingen.
Buiten heeft de abutilon graag een zonnige tot lichtbeschaduwde standplaats, beschut tegen de wind. De takken zijn tamelijk breekbaar, en een flinke windvlaag kan de plant flink toetakelen, met name aan grote knoppen en jonge bloeitakken. Geef royaal water – een grote, in volle zon staande abutilon kan in een hete zomer gemakkelijk dagelijks water vragen.
Voor wie een ‘echte’ tuinabutilon zoekt is Corynabutilon × suntense (in de handel nog vaak Abutilon × suntense) de meest gebruikelijke keuze. Deze hybride verdraagt in een beschutte tuin lichte vorst, maar reken niet op een ongestoorde winterrust bij streng en langdurig vriesweer. Geef hem een zonnige, beschutte plek tegen een zuidmuur en pak hem in koude winters royaal in met stro, fijne takken of een doek; dan kun je hem ook in onze contreien als overblijvende tuinplant houden.
2.11 Overige tips bij de verzorging
- De plant heeft de neiging om wat asymmetrisch te groeien, met de bloeitakken nadrukkelijk naar het licht toe gericht. Draai de pot daarom regelmatig – eens per week is een goede frequentie – om een evenwichtige groei te bevorderen.
- Knoppen die afvallen voordat ze opengaan zijn een algemeen verschijnsel bij abutilons en wijzen meestal op een plotselinge verandering in de omstandigheden: een verhuizing van of naar een ander vertrek, een sterk veranderde watergift, een tochtige plek. Probeer de plant in een zo constant mogelijke omgeving te houden.
- Bonte cultivars laten soms volledig groene scheuten ontstaan. Bij genetisch bonte cultivars kan dat een mutatie terug naar de oorspronkelijke soort zijn; bij mozaïekvormen kan een scheut simpelweg weer normaal groen uitgroeien. Knip zulke scheuten weg als je ze ziet. Ze hebben meer bladgroen dan de rest van de plant en groeien zodoende harder, met als gevolg dat ze op den duur de hele plant kunnen overheersen. Wat je dan overhoudt is een effen groene abutilon, en daarvoor had je geen bonte plant hoeven kopen.
- De plant kan vrij sterk reageren op verschuivingen in lichtinval. Als je hem in het voorjaar van een winterse standplaats terug naar de woonkamer of naar buiten verplaatst, doe dat dan stapsgewijs en geef hem een paar weken om te wennen.
- Voor zover ons bekend zijn er geen s
aanwijzingen dat Abutilon (ernstig) giftig is voor mensen, katten of honden.
3. Abutilon kopen: waar moet je op letten en waar kan het?

Abutilons zijn niet de allerbreedst verkrijgbare kamerplant. Bij grote tuincentra is er in het voorjaar en de zomer vaak wel een bescheiden assortiment van het type Abutilon × hybridum, met soms enkele cultivars naast elkaar; in de wintermaanden zie je ze veel minder vaak staan. Voor een breder aanbod, en met name voor bijzondere cultivars, ben je doorgaans aangewezen op gespecialiseerde kwekerijen of liefhebbersverenigingen (zoals de Nederlandse Kuipplantenvereniging).
Bij het kopen zijn er enkele zaken om op te letten. Een gezonde abutilon heeft stevige, niet te slungelige takken, en in het groeiseizoen bloemen of bloemknoppen. Een plant zonder knoppen midden in de zomer is een waarschuwingssignaal: dat duidt vrijwel altijd op lichtgebrek of een andere stressfactor in de kwekerij. Inspecteer verder de onderkant van de bladeren op spint en witte vlieg; dit zijn de meest voorkomende plaaginsecten op deze plant. Zie ook het kopje Ziektes en plagen eerder in dit artikel.
Een specifiek aandachtspunt bij bonte cultivars (‘Savitzii’, ‘Souvenir de Bonn’ en de cultivars uit de Cannington-reeks) is om de plant goed te bekijken op effen-groene scheuten. Die zijn vaak een teken dat de bonte mutatie op die plek is teruggemuteerd, en bij doorgroei zullen ze de bonte plant uiteindelijk overheersen. Een plant met louter bont blad is dus te verkiezen boven één met al een paar groene scheuten erin.
Eén laatste opmerking: laat je niet teveel afleiden door de naam op het etiket. Veel abutilons worden in de handel onder verzonnen kweeknamen of zelfs zonder enige cultivaraanduiding aangeboden. Voor de huiskamertuinier maakt dat in de praktijk weinig uit – de verzorging is bij vrijwel alle Abutilon × hybridum-cultivars vergelijkbaar. Wie geïnteresseerd is in een specifieke cultivar doet er goed aan om die direct bij een gespecialiseerde kweker te bestellen, met de juiste botanische naam erbij.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.