
De potloodplant (Euphorbia tirucalli) is een wat eigenzinnige kamerplant: een vetplant die groeit als een boompje, maar vrijwel geen bladeren heeft. De talrijke takken zijn bolrond en niet dikker dan een potlood. Dat neemt niet weg dat dit een dankbare en sterke kamerplant is – mits je hem droog en zonnig houdt en op gepaste afstand blijft van het bijtende melksap. Hoe zorg je bij de potloodplant voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
1. Inleiding: wat is de potloodplant (Euphorbia tirucalli) voor plant?

De potloodplant is een vetplant uit de wolfsmelkfamilie (Euphorbiaceae), om precies te zijn uit het uitgestrekte geslacht Euphorbia waartoe ook de kerstster en de christusdoorn behoren. Hij dankt zijn Nederlandse naam aan de talloze rechtopstaande, volkomen ronde takken, die ongeveer zo dik zijn als een potlood. (Een vrij dun potlood, weliswaar.) Die takken zijn fris- tot grijsgroen en doen het werk dat bij gewone planten door de bladeren wordt gedaan: ze nemen het zonlicht op. Echte bladeren maakt de plant nauwelijks; de paar kleine blaadjes die er soms aan verschijnen, vallen vrijwel meteen weer af. Zie ook de afbeelding hierboven.
Soms wordt deze plant ook verkocht onder de naam potloodcactus. Dat is botanisch gezien niet helemaal juist: een cactus is dit beslist niet. Het duidelijkste verschil zie je zodra je een takje breekt. Er komt dan een overvloedig, melkwit sap vrij, en juist dat melksap ontbreekt bij echte cactussen. Dit sap is overigens bepaald niet onschuldig, zoals we verderop bij het kopje Overige tips bij de verzorging uitgebreid bespreken.
1.1 Habitat en herkomst

Over de exacte herkomst van Euphorbia tirucalli bestaat een zekere mate van onduidelijkheid. De soort is al heel lang door mensen geplant, verplaatst en verwilderd. Velen houden Madagaskar aan als oorspronkelijk verspreidingsgebied. Historische bronnen laten echter ook zien dat de plant al eeuwen voorkomt in droge tropische regio’s op het Afrikaanse vasteland.
In de praktijk hoort de potloodplant dus thuis in warme, droge tot halfdroge omstandigheden: open struikland, savanneachtige vegetatie, stenige of arme gronden en plaatsen waar langere droge periodes heel normaal zijn. Vanuit Afrika en Madagaskar is hij bovendien in veel andere tropische gebieden aangeplant en verwilderd, onder meer in India, Zuidoost-Azië en delen van Midden- en Zuid-Amerika.
In zo’n omgeving is de potloodplant een echte overlever. De groene takken slaan water op en nemen tegelijk de fotosynthese voor hun rekening, zodat de plant met een minimum aan bladoppervlak toe kan en zo weinig mogelijk vocht verdampt. In het wild groeit hij uit tot een vertakte struik of kleine boom van meestal enkele meters hoog; goed ontwikkelde exemplaren kunnen, afhankelijk van groeiplaats en bron, richting tien meter of nog wat hoger gaan. Zie ook de afbeelding enkele alinea’s hierboven: eerder een potloodboom dan een potloodplant!
De plant heeft van oudsher allerlei toepassingen. In delen van Afrika wordt hij veel gebruikt als levende afrastering om erven en veekralen, een rol waarvoor het giftige sap goed van pas komt: vee laat de takken meestal met rust. Daarnaast werd het melksap onder meer toegepast als visgif en in de traditionele geneeskunde. Dat laatste moet je beslist niet opvatten als een aanbeveling voor thuisgebruik; zie daarvoor vooral het kopje Overige tips bij de verzorging verderop in dit artikel.
Een andere mogelijke toepassing is van recenter datum. In de vorige eeuw werd de potloodplant onderzocht als mogelijke bron van rubberachtige stoffen en later zelfs als ‘benzineboom’. Onder anderen de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Melvin Calvin opperde in de jaren zeventig dat het koolwaterstofrijke melksap van Euphorbia-soorten als deze tot een soort plantaardige aardolie te verwerken zou zijn, en dat je hem dus in een soort ‘petroleumplantage’ zou kunnen telen. Tot grootschalige brandstofwinning uit potloodplanten heeft het overigens nooit geleid.
De wetenschappelijke naam komt echter van voor de tijd van de auto. Het geslacht Euphorbia is genoemd naar Euphorbus, de lijfarts van koning Juba II van het Noord-Afrikaanse Mauretanië, die het melksap van wolfsmelkachtige planten medisch zou hebben toegepast. De soortaanduiding tirucalli is waarschijnlijk ontleend aan een volksnaam uit Malabar, aan de zuidwestkust van India, waar Linnaeus de naam vandaan haalde toen hij de soort beschreef.
1.2 Groeiwijze
De groeiwijze van de potloodplant is meteen zijn handelsmerk. Vanuit een steviger, na verloop van tijd verhoutende hoofdstam ontspringen talloze ronde, sappige takken van een halve centimeter tot ruim een centimeter dik. Die staan vaak in kransen bijeen en zijn in de lengterichting fijn gestreept. Jonge planten ogen daardoor luchtig en bossig; oudere exemplaren bouwen langzaam een dichte, kandelaarachtige kroon op.
Blad maakt de plant nauwelijks. De kleine, langwerpige blaadjes van een tot twee en een halve centimeter verschijnen alleen aan de jongste twijgen, als de plant flink veel water krijgt, en vallen onder alle omstandigheden al snel af. Daarna nemen de groene takken het fotosynthesewerk over. Het is een slimme aanpassing aan een droog klimaat: minder bladoppervlak betekent minder verdamping. Bij de geringste beschadiging treedt overvloedig wit melksap naar buiten. De bescheiden bloei bespreken we apart bij het kopje Bloeiwijze verderop.
1.3 Stamboom en verwante kamerplanten
De potloodplant staat als Euphorbia tirucalli in het geslacht Euphorbia, dat met ruim tweeduizend soorten één van de grootste plantengeslachten ter wereld is. Dat geslacht valt binnen de familie Euphorbiaceae (de wolfsmelkfamilie), in de orde Malpighiales. De laagste betrouwbare rang die de potloodplant met andere kamerplanten deelt, is dus de familie.
Binnen het eigen geslacht heeft de potloodplant een aantal bekende verwanten die je ook als kamerplant tegenkomt: de kerstster (Euphorbia pulcherrima), de christusdoorn (Euphorbia milii) en de cowboycactus (Euphorbia ingens). Wat verderaf, maar nog altijd binnen de wolfsmelkfamilie, staan de wonderstruik of croton (Codiaeum variegatum) en de flessenplant (Jatropha podagrica). Een eigenschap die veel leden van deze familie delen, is het melkachtige, vaak giftige sap.
1.4 Soorten
Anders dan bij sommige andere kamerplanten die we beschrijven, gaat het hier om één plantensoort en niet om een hele reeks. Naast de gewone, groene soort is er nog één cultivar: ‘Firesticks’. De verzorging is voor beide identiek; die bespreken we verderop bij het kopje Verzorging.
1.4.1 De gewone, groene potloodplant
Dit is de oervorm: een bundel egaal frisgroene, potlooddikke takken zonder enige verkleuring. Het is de vorm die in zijn Afrikaanse thuisland tot een flinke boom uitgroeit, en de vorm die destijds als mogelijke brandstofplant in beeld was. Als kamerplant is hij wat minder spectaculair dan zijn gekleurde tegenhanger, al past het strakke en minimalistische wel weer goed in een moderne inrichting.
1.4.2 Euphorbia tirucalli ‘Firesticks’

Veruit de populairste vorm is de gekleurde selectie die in de handel meestal ‘Firesticks’ of ‘Sticks on Fire’ heet, en soms ook als ‘Rosea’ wordt aangeboden. Bij deze plant lopen de jonge taktoppen oranje, koraalrood tot geel uit, waardoor het geheel inderdaad iets weg heeft van een bosje gloeiende lucifers. De kleur is geen vaststaand gegeven: hij komt het mooiste tot zijn recht bij veel licht en bij koelere temperaturen, terwijl de plant in de schaduw juist terugkleurt naar groen. Dat is dan ook een serieus aandachtspunt als je een ’Firesticks’ koopt: bij minder gunstige omstandigheden, vooral te weinig licht, is er vrijwel geen onderscheid meer met de gewone groene soort. Ook fraai, maar misschien niet wat je je in de winkel had voorgesteld.
2. Verzorging potloodplant (Euphorbia tirucalli)

De potloodplant is een van de gemakkelijkste kamerplanten die je je kunt wensen, al is hij door zijn melksap niet de meest aaibare. De twee belangrijkste regels zijn kort samen te vatten: zorg voor veel licht en weinig water. Hieronder lopen we alle aandachtspunten één voor één langs.
2.1 Water geven
Als vetplant heeft de potloodplant weinig water nodig; te veel water is veruit de meest gemaakte verzorgingsfout. De takken en stam houden een flinke voorraad vocht vast, waar de plant lang op kan teren. Laat de potgrond tussen twee gietbeurten dan ook helemaal opdrogen. In de zomer betekent dat in de praktijk eens in de zoveel weken een flinke gietbeurt; in de winter, als de plant nauwelijks groeit, kun je het rustig terugbrengen tot eens per maand of nog minder. Eén kanttekening: als je hem echt veel licht en warmte kunt bieden en je een goede groei wel kunt waarderen, mag je best wat meer gieten.
Bij twijfel geldt echter: liever te droog dan te nat. Staat de plant langdurig in vochtige grond, dan loopt hij groot risico op wortelrot, en dat is hem al snel fataal. De kleine blaadjes gelden als een handig signaal: eind lente, begin zomer, als de plant in de groei is, is het normaal dat er hier en daar wat van die blaadjes aan de plant zitten; buiten het groeiseizoen is het een teken dat je de plant echt te veel verwent qua watergift. Rot is dan een reëel risico.
2.2 Temperatuureisen
De potloodplant is een warmteminnaar die de gewone huiskamertemperatuur prima verdraagt. Anders dan veel tropische bladplanten heeft hij geen enkele moeite met droge, warme lucht, dus een plekje boven of naast de radiator is geen probleem. De kleine blaadjes zijn enigszins gevoelig voor spint in dergelijke omstandigheden, maar dat zal de plant als geheel amper deren. Vorst verdraagt hij niet. Houd in de winter liever minimaal tien tot twaalf graden aan; warmer mag altijd, zolang de plant licht genoeg staat. Een wat koelere, maar lichte overwintering kan bij ‘Firesticks’ de kleuring overigens ten goede komen, juist ook als je hem dan qua watergift op een strikt rantsoen zet.
2.3 Standplaats
Zet de potloodplant op de lichtst mogelijke plek. Een plaats voor een raam op het zuiden, met volop direct zonlicht, is ideaal. Komt de plant uit een donkerder hoek of net uit de winkel, gewen hem dan geleidelijk aan de felle zon: de jongste taktoppen kunnen anders verbranden. Voor de cultivar ‘Firesticks’ is veel licht bovendien een vereiste om de naam aan te doen, want alleen dan ontwikkelt en behoudt hij zijn warme kleuren; in de schaduw vervaagt het vuurwerkeffect en wordt de plant weer groen.
In de zomer kun je de plant naar buiten verhuizen, bijvoorbeeld op een zonnig terras of balkon. Wacht daarmee tot alle kans op nachtvorst voorbij is, gewen hem ook buiten stap voor stap aan de volle zon en zorg dat hij niet langdurig in de regen staat. Bij aanhoudende neerslag wordt de grond te nat en ligt wortelrot op de loer. Let daarbij wel op met wind. De takken zijn kwetsbaar, en als ze te veel door elkaar schudden, komt er aan alle kanten giftig en ontsierend melksap vrij.
2.4 Voeding
Veel voeding heeft de potloodplant niet nodig. In het groeiseizoen, ruwweg van het late voorjaar tot in de nazomer, kun je zo’n beetje eens per maand een verdunde dosis vloeibare cactus- of vetplantenvoeding geven. In de herfst en winter geef je niets. Te veel voeding zorgt voor slappe en sprieterige uitgroei, terwijl – althans volgens ons – deze plant nu juist op z’n best is met een mooie volle en compacte groeivorm.
2.5 Verpotten
Verpotten hoeft niet vaak, eens in de paar jaar is ruim voldoende. Het belangrijkste is een zeer goed doorlatend grondmengsel: speciale cactus- of vetplantenpotgrond, eventueel nog wat extra verschraald met grof zand of perliet, zodat overtollig water vlot wegloopt. Kies een pot die niet veel groter is dan de vorige. Een aandachtspunt dat je niet bij elke plant tegenkomt: oudere exemplaren worden topzwaar en kunnen zomaar omvallen, dus een stevige, liefst wat zware pot helpt ze overeind te houden.
Doe het verpotten het liefst aan het begin van het groeiseizoen. En vergeet niet: zodra je takken of wortels beschadigt, komt er melksap vrij. Draag dus handschoenen en lees vooral ook het kopje Overige tips bij de verzorging verderop in dit artikel.
2.6 Snoeien
Wellicht verrassend, maar snoeien verdraagt deze plant uitstekend, bijvoorbeeld om hem plant compacter te houden of een uitgezakte tak te verwijderen. Vergelijk ook de eerste foto in dit artikel: zoals je aan de verhoute stam kunt zien, is het al een behoorlijk oud exemplaar, maar door regelmatig te snoeien is de plant klein en compact gehouden. Plan je snoeibeurt het liefst in de lente en gebruik een goed scherpe snoeischaar.
Houd er rekening mee dat uit elke snede overvloedig melksap vrijkomt, en dat dit sap bijtend en giftig is. Snoei daarom met handschoenen aan en bescherm je ogen. Werk bij voorkeur buiten of in een goed geventileerde ruimte, raak intussen je gezicht niet aan en houd een doek bij de hand om druppels direct weg te deppen. Het klinkt wellicht allemaal wat overdreven, maar onder zijn betrekkelijk aaibare uiterlijk gaat een katje schuil dat je beslist niet zonder handschoenen aan moet pakken.
Wat je wegsnoeit, hoeft trouwens niet verloren te gaan: van gezonde takken kun je zonder veel moeite nieuwe planten opkweken, zoals we bij het kopje Vermeerderen hieronder beschrijven.
2.7 Vermeerderen
De potloodplant laat zich, net als veel andere wolfsmelksoorten, het gemakkelijkst vermeerderen via stekken. Zaaien kan ook, maar is in de praktijk omslachtig en zelden de moeite waard.
2.7.1 Stekken
Knip met dezelfde voorzorgen als bij het snoeien (handschoenen, oogbescherming) een gezonde tak van enkele centimeters af. Er kan behoorlijk wat melksap vrijkomen. Laat de stek vervolgens een paar dagen op een droge, luchtige plek opdrogen, zodat zich een korstje vormt. Plant de stek daarna ondiep in droge cactus- of stekgrond, met het snijvlak omlaag. Houd de grond net iets vochtig en zet de stek warm en licht. Binnen enkele weken vormen zich wortels en lopen er nieuwe takjes uit. Tip: stek liever niet in een te nat medium, want dan rot de stek eerder dan dat hij bewortelt.
2.7.2 Zaaien
Zaad van de potloodplant is in de handel vrijwel niet te krijgen, en omdat een zaailing er bovendien jaren over doet om enige omvang te bereiken, heeft stekken vrijwel altijd de voorkeur. Zaadvaste nakomelingen van ‘Firesticks’ hoef je sowieso niet te verwachten; als je precies die gekleurde vorm zoekt, ben je aangewezen op stekken. Mocht je toch aan zaad komen, dan gelden in beginsel ongeveer dezelfde omstandigheden als voor stekken: warm en licht, en een grondmengsel dat goed doorlaat – maar in aanvulling daarop veel geduld.
2.8 Bloeiwijze

Voor zijn bloei hoef je de potloodplant niet in huis te halen. Aan de uiteinden van de takken kunnen kleine, geelachtig groene bloeiwijzen verschijnen, maar dat gebeurt in de huiskamercultuur eigenlijk zelden. Bovendien zijn ze weinig opvallend. Zoals bij andere Euphorbia-soorten gaat het om cyathia: sterk vereenvoudigde bloeiwijzen die van heel dichtbij op kleine bloempjes lijken, maar dat is het dan ook; zie ook de foto hierboven.
2.9 Ziektes en plagen
Het grootste gevaar voor de potloodplant is geen plaag, maar de gieter. Staat de plant te lang te nat, dan ontstaat wortelrot. Dat herken je aan takken die van onderaf slap, geel of enigszins doorschijnend worden, en aan een zachte, soms verkleurde voet. Constateer je dit, haal de plant dan meteen uit de pot, snijd alle rotte delen weg tot in het gezonde, stevige weefsel en pot de gezonde stukken opnieuw op in droge, goed doorlatende grond. Geef daarna een tijd zeer spaarzaam water.
Echte plaaginsecten komen minder vaak voor, maar af en toe duikt er wolluis of schildluis op, vaak in de oksels tussen de takken. Verwijder een lichte aantasting met een in spiritus gedoopt wattenstaafje, of gebruik bij een hardnekkiger geval een biologisch bestrijdingsmiddel volgens de aanwijzingen op de verpakking. Een gezonde, warm en niet te nat staande plant heeft hier doorgaans weinig last van. Op een heel droge plaats komt er nog weleens wat spint op de kleine blaadjes af, maar dat verdwijnt doorgaans vanzelf weer als de blaadjes na enkele weken vanzelf afvallen.
2.10 Overige tips bij de verzorging
Het belangrijkste aandachtspunt bij deze plant is het melksap, en daar willen we niet te luchtig over doen. Het sap is bijtend en giftig – in sterkere mate dan bij de meeste andere wolfsmelksoorten die je als huiskamertuinier tegen kunt komen. Op de huid kan het blaren en irritatie veroorzaken, en bij contact met de ogen is het ronduit gevaarlijk: het kan hevige ontsteking, beschadiging van het hoornvlies en zelfs blindheid veroorzaken. Inslikken is schadelijk, ook voor huisdieren. Dat betekent niet dat je deze plant niet in huis zou moeten nemen, of dat je, als je er al eentje hebt, die direct de deur moet wijzen. Wel is enige extra aandacht en zorg vereist. Houd je daarom aan een paar simpele voorzorgen wanneer je de plant snoeit, verpot of stekt:
- Draag handschoenen en bescherm je ogen, bijvoorbeeld met een veiligheidsbril.
- Werk bij voorkeur buiten of in een goed geventileerde ruimte, en raak tussendoor je gezicht niet aan.
- Komt er toch sap op je huid, was het dan direct af met water en zeep. Bij contact met de ogen spoel je langdurig met ruim water en neem je contact op met een arts.
- Zet de plant op een plek die niet ‘in de wandel ligt’, zodat je er niet telkens tegenaan stoot, en plaats hem buiten het bereik van kinderen en huisdieren.
3. Potloodplant kopen: waar moet je op letten en waar kan het?

De potloodplant is verkrijgbaar bij de wat beter gesorteerde tuincentra, bij speciaalzaken in cactussen en vetplanten, en uiteraard online. Je vindt hem zowel als de gewone groene soort als in de gekleurde vorm ‘Firesticks’, die we eerder bij het kopje Soorten bespraken. Potloodplanten kunnen enigszins aan de prijs zijn, voor het formaat dat je krijgt, wellicht omdat juist jongere planten tamelijk traag groeien.
Let bij de aankoop op een paar dingen:
- De takken horen stevig en stug aan te voelen, niet slap of gerimpeld. Frisgroen (of bij ‘Firesticks’ goed gekleurd) is een goed teken.
- Controleer de voet van de plant en de grond: een zachte, verkleurde stam of doorweekte aarde wijst op wortelrot. Laat zo’n exemplaar staan.
- De plant hoort in een goed doorlatend, niet te nat grondmengsel te staan.
- In het tuincentrum heeft de potloodplant vaak heel wat kleine blaadjes (zie ook de foto aan het begin van dit kopje). Thuis vallen die al snel af: de temperatuur is lager, de luchtvochtigheid is lager, en jij geeft, als je dit artikel hebt gelezen, navenant minder water. Volstrekt normaal dus, maar het is begrijpelijkerwijs wel net zo’n situatie waarbij veel nieuwe eigenaren van een potloodplant denken: doe ik iets verkeerd? Wees gerust: niet dus.
Tot slot nog een laatste keer de belangrijkste waarschuwing, juist als je nog geen potloodplant hebt maar er wel één wilt kopen: deze kamerplant is in al zijn delen flink giftig en het melksap is bijtend. Heb je kinderen of huisdieren in huis, kies dan een standplaats waar zij er niet bij kunnen – of overweeg een andere kamerplant.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.
