
De araucaria, in de handel meestal Araucaria heterophylla en in het Nederlands ook wel kamerden of Norfolkden genoemd, is een opmerkelijk geometrische groene kamerplant met relatief zachte, lichtgroene naalden en perfect symmetrische lagen van horizontaal uitwaaierende takken. Het geheel doet onmiskenbaar denken aan een miniatuurkerstboom, en dat is precies de reden dat deze plant in tuincentra rond december zo prominent in de schijnwerpers wordt gezet. Toch is het beslist geen echte den. Hoe zorg je bij araucaria’s voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
1. Inleiding: wat is de araucaria voor plant?

Op het eerste gezicht is de araucaria een van de meest herkenbare kamerplanten die er zijn: een keurig piramidaal boompje met etages van horizontale takjes, voorzien van zachte, frisgroene naalden. Het maakt de plant tot een geliefd cadeau in de decembermaand, vaak verkocht als ‘levende kerstboom’. Toch is het puur natuur; de vergaande symmetrie is het resultaat van z’n evolutionaire geschiedenis. Waar de araucaria van nature voorkomt, hoe hij groeit en hoe hij zich verhoudt tot andere kamerplanten bespreken we hieronder.
1.1 Habitat en herkomst
Araucaria heterophylla, de soort die als kamerplant in vrijwel ieder tuincentrum te vinden is, komt van nature voor in de Norfolk Island-groep in de Stille Oceaan, tussen Nieuw-Zeeland, Nieuw-Caledonië en het oosten van Australië. Vroeger kwam hij ook op Nepean Island voor. Daar is hij verdwenen, en op Phillip Island is hij door habitatvernietiging en invasieve soorten sterk teruggedrongen. De belangrijkste resterende natuurlijke populaties staan tegenwoordig op Norfolk Island, het hoofdeiland van de eilandengroep.
De Europese ontdekking van zowel dit eiland als de boom wordt op naam geschreven van kapitein James Cook, die er in 1774 aanmeerde en het op dat moment onbewoonde eiland claimde voor de Britse kroon. Hij noemde het naar de toenmalige hertogin van Norfolk – al kon zij dat eerbewijs niet meer ontvangen, want zij was inmiddels overleden, zonder dat Cook daar weet van had.
Cook zag in de imposante rechtopgaande, hoge bomen die het eiland bebosten onmiddellijk handelswaar. Onder leiding van zijn scheepstimmerman werd ter plekke een proefstuk voor een mast of ra vervaardigd, en in zijn dagboek noteerde hij enthousiast dat het hout geschikt leek voor die toepassing. Helaas voor de Admiraliteit bleek het Norfolk-hout in de praktijk tegen te vallen: het was te zacht en niet veerkrachtig genoeg voor zwaar scheepswerk. Maar vanwege het fraaie uiterlijk zeilde de boom alsnog de halve wereld over. In warme kuststreken – Zuid-Californië, Florida, Madeira, delen van Australië en Nieuw-Zeeland – staat de soort algemeen aangeplant als straat- en parkboom. In gematigdere streken zoals de onze is de plant niet winterhard (zie verder het kopje Verzorging als kuipplant later in dit artikel) en komt hij voornamelijk in de huiskamer terecht.
1.2 Groeiwijze

De araucaria is een naaldboom, of preciezer gezegd, een conifeer. Volwassen exemplaren kunnen zeer veel groter worden dan de Nederlandse naam ‘kamerden’ suggereert: tot wel meer dan 50 meter hoog! Vaak hebben ze kaarsrechte stammen, waaromheen zich op regelmatige afstand kransen van vier of vijf horizontaal uitstaande takken bevinden. Die ‘etages’ vormen samen het kenmerkende driehoekige silhouet dat de soort tot zo’n geliefde sierboom maakt.
De soortnaam heterophylla betekent letterlijk ‘met verschillende bladeren’. Daarmee wordt verwezen naar het feit dat jonge en oude exemplaren er botanisch gezien heel anders uitzien. Op jonge planten – precies het stadium waarin we de soort als kamerplant kennen – zitten zachte, priemvormige naaldjes die los van elkaar uit het takje steken en bij aanraking nauwelijks prikken. Bij oudere bomen, die in het wild honderden jaren oud kunnen worden, ontwikkelen zich aan de bovenste takken juist kleine, schubvormige bladeren die strak tegen het takje aanliggen, een beetje zoals bij cipressen (vergelijk de afbeelding hierboven). De kegels, waarover later meer onder het kopje Bloeiwijze, verschijnen pas bij zulke al lang volwassen exemplaren.
In de huiskamer is van die transformatie weinig te merken, omdat het in onze omstandigheden vrijwel onmogelijk is om een araucaria de echte volwassen staat te laten bereiken. Dat komt alleen al door een feit waar geen enkele huiskamertuinier omheen kan: deze plant groeit traag. Een mooi vol vensterbankgroot exemplaar van twee tot drie etages staat er niet binnen een seizoen. Zelfs onder ideale omstandigheden voegt de plant per jaar gemiddeld slechts één nieuwe takkenkrans toe.
Naast traag is de groeiwijze weinig vergevingsgezind. De top, oftewel de centrale verticale scheut, is het enige groeipunt waaruit de plant in de hoogte verder kan. Raakt die om wat voor reden dan ook beschadigd – door snoeien, een ongelukkige beweging, droogte of een plaag – dan herstelt de plant zich daarvan in de regel niet. Zijtakken kunnen die rol niet zomaar overnemen, en het resultaat is meestal een blijvend asymmetrisch, scheef doorgroeiend exemplaar. Hetzelfde geldt voor onderste takken die in de loop der jaren bruin worden en afsterven: nieuwe takken groeien op die plek niet terug. Een araucaria die eenmaal kaal van onderen is, blijft dat ook. Zie hierover ook het kopje Snoeien verderop in dit artikel.
1.3 Stamboom en verwante kamerplanten
De Nederlandse naam ‘kamerden’ is, hoe charmant ook, botanisch gezien tamelijk misleidend. Een echte den behoort tot het geslacht Pinus en daarmee tot de dennenfamilie, de familie Pinaceae. De araucaria hoort in een andere familie thuis: Araucariaceae, in het Nederlands de apenboomfamilie.
Nauwe verwanten in het kamerplantenschap zijn er amper; de familie Araucariaceae bestaat vooral uit grote bomen die niet als kamerplant worden gehouden. In de bredere orde Pinales kom je als kamerplant nog wel de cipres (Cupressus) tegen, al staat die in de familie Cupressaceae. Nog verder weg, maar eveneens een naaktzadige, staat Cycas. Daarmee zit de araucaria in een klein hoekje van de kamerplantenwereld: planten die geen bloemen maken, maar kegels of kegelachtige structuren.
1.4 Soorten

Het geslacht Araucaria telt ongeveer twintig soorten, vrijwel uitsluitend afkomstig uit het zuidelijk halfrond. Het grootste aantal komt voor in Nieuw-Caledonië, dat in een uithoek van de Stille Oceaan een waar bolwerk van araucaria’s vormt. Voor de huiskamertuinier is het beschikbare aanbod een stuk overzichtelijker: in de praktijk wordt vrijwel uitsluitend één soort als kamerplant aangeboden, al is dat soms niet altijd helemaal helder in de winkel, maar dat bespreken we verderop nader. De geslachtsnaam Araucaria verwijst overigens naar Arauco of Araucanië in Chili, het gebied waar de apenboom, Araucaria araucana, van nature voorkomt.
1.4.1 Araucaria heterophylla
De araucaria zoals we hem in het tuincentrum tegenkomen is in vrijwel alle gevallen Araucaria heterophylla, de soort die in zijn natuurlijke staat endemisch is op Norfolk Island. In de jeugdvorm waarin we hem als kamerplant kennen draagt de plant zachte priemvormige naalden van ongeveer een centimeter lang, in een fris middengroene kleur. De takken staan keurig in horizontale kransen rond een kaarsrechte centrale stam, met meestal vier of vijf takken per laag. Dat geeft – in elk geval zolang de plant nog jong en gezond is – een uitgesproken regelmatig, bijna geometrisch silhouet.
In specialistische coniferencatalogi worden enkele cultivars genoemd, waaronder Araucaria heterophylla ‘Gracilis’, ‘Glauca’, ‘Compacta’ en ‘Aurea Variegata’. In de Nederlandse kamerplantenhandel zul je die namen zelden tegenkomen. Voor de meeste kopers maakt dat ook weinig uit; de verzorging is namelijk niet erg verschillend.
1.4.2 Overige Araucaria-soorten en de Cook-verwarring
Buiten A. heterophylla zijn er nog enkele andere soortgenoten die het bespreken waard zijn, al worden die zelden als kamerplant aangeboden.
Allereerst is er Araucaria araucana, de apenboom, ook wel slangenden genoemd, afkomstig uit Chili en Argentinië. Dit is de soort die de hele familie zijn Nederlandse naam – apenboomfamilie – heeft gegeven. De apenboom heeft veel grotere, harde en zelfs scherp prikkende driehoekige bladeren die spiraalsgewijs heel dicht tegen de stam en de takken aan zijn gepakt. De volkse verklaring voor de naam is dat zelfs een aap er nog moeite mee zou hebben om langs de stam omhoog te klimmen. De apenboom is in een groot deel van Nederland en België redelijk winterhard en wordt soms in parken en grote tuinen aangeplant; als kamerplant is hij door zijn grote behoefte aan koelte en licht eigenlijk niet geschikt.
Een tweede vermeldenswaardige soort is Araucaria bidwillii, de bunya-bunya, een Australische soort die enorme eetbare pijnboompitten produceert. In Nederland is deze zeer beperkt beschikbaar, al lijkt het aanbod te groeien. Hij is overigens wat minder symmetrisch dan de kamerden; soms wordt deze soort juist ook aangeboden als een kronkelige en knoestige bonsai.
De interessantste – en voor de plantenkoper meest verwarrende – aanverwante soort is echter Araucaria columnaris, de Cook-den of Nieuw-Caledonische araucaria. Cook ontdekte deze soort eveneens, op Nieuw-Caledonië, nog voordat hij Norfolk Island aandeed. Als jonge exemplaren op potplantformaat zijn A. columnaris en A. heterophylla nauwelijks van elkaar te onderscheiden, en dat heeft eeuwenlang geleid tot grote verwarring in de internationale plantenhandel. Vooral in de Verenigde Staten blijken vrijwel alle kerstbomen en kamerplanten die in tuincentra onder de naam ‘Norfolk Island Pine’ worden verkocht eigenlijk Cook-dennen te zijn. Pas op latere leeftijd worden de verschillen duidelijk: de Cook-den groeit smaller en zuilvormiger, met kortere zijtakken en bovendien een eigenaardige kromme stam die zich opvallend genoeg consistent naar de evenaar buigt. Op het noordelijk halfrond hellen Cook-dennen naar het zuiden, op het zuidelijk halfrond naar het noorden, een tot op heden niet volledig verklaard verschijnsel.
In hoeverre die verwarring ook in Nederland speelt, is voor zover ons bekend niet systematisch onderzocht. Maar goed, eigenlijk maakt het dus ook weinig uit voor de huiskamerteelt.
Tot slot zijn er, zoals al kort genoemd bij het kopje Stamboom en verwante kamerplanten hierboven, enkele aanverwante geslachten in de familie. Wollemia nobilis, de wollemia of wollemiaspar, is daarvan de meest tot de verbeelding sprekende: pas in 1994 als levende boom door de wetenschap ontdekt, na de vondst van een verborgen populatie in een Australisch nationaal park. Wereldwijd worden inmiddels jonge wollemia’s gekweekt en verkocht als zeldzame boom of potplant. Verder zijn er nog kauri’s (Agathis); dit zijn vrijwel uitsluitend grote bomen uit in het bijzonder Nieuw-Zeeland. Er lijkt niet of nauwelijks in gehandeld te worden.
2. Verzorging kamerden (araucaria)

Kamerdennen zijn niet de lastigste kamerplanten, maar het huiskamerklimaat is niet ideaal voor ze. Hun voorkeuren liggen namelijk wat anders dan je misschien van andere kamerplanten gewend bent. Daarbij groeien ze traag en herstellen ze slecht van schade. Het is daarom wel belangrijk om een aantal specifieke punten in acht te nemen. Die punten bespreken we hieronder.
2.1 Water geven
De araucaria houdt van een gelijkmatig licht vochtige potgrond. ‘Gelijkmatig’ is hier het sleutelwoord: zowel volledig uitgedroogde aarde als langdurig doorweekte aarde valt slecht. Bij uitdroging verkleuren de onderste naalden bruin en vallen ze geleidelijk af, en dat is, anders dan bij veel andere kamerplanten, een onomkeerbaar proces. Nieuwe naalden groeien op een eenmaal kale onderkant van de plant nooit meer terug. Tegelijk is bij langdurig nat staan wortelrot een serieus risico, vooral in de wat koelere wintermaanden.
In de praktijk komt het erop neer dat je in het groeiseizoen, ruwweg vanaf eind maart tot in oktober, ongeveer elke week water kunt geven; tijdens een hittegolf wat vaker. ’s Winters, als de plant nauwelijks groeit, gaat het waterverbruik fors omlaag en is één keer per anderhalve week tot twee weken meestal voldoende.
2.2 Temperatuureisen
Anders dan veel tropische bladplanten, die veel warmte verkiezen, geldt voor de kamerden juist dat hij koele tot matige temperaturen prefereert. In het groeiseizoen is zo’n 16 tot 22 graden ideaal. Een graadje meer mag ook wel, maar in principe kun je dat beter voorkomen. In de winter is een koelere standplaats van rond de 10 tot 15 graden eigenlijk de sleutel tot een mooi exemplaar. Dat voorkomt namelijk dat hij gaat groeien, en dergelijke uitgroei wordt in de wintermaanden slap en dun.
Een echte rustperiode bij koelere wintertemperaturen levert daarentegen een stevigere, compactere plant op die in het volgende voorjaar opnieuw met een gezonde groei van start kan. Een onverwarmde maar lichte serre, een hal of een trapportaal kan in dat opzicht een betere winterstandplaats zijn dan de huiskamer. Vorst is daarbij wel uit den boze: de soort kan in het Nederlandse buitenklimaat beslist niet overleven (zie nader het kopje Verzorging als kuipplant later in dit artikel).
2.3 Standplaats
Veel licht is belangrijk. Onvoldoende licht is een veelgemaakte verzorgingsfout en een van de hoofdoorzaken waardoor araucaria’s er na enige jaren in een huiskamer toch wat sjofel uit gaan zien. Een plek bij of voor een raam met veel daglicht, op het oosten of westen, is ideaal. Een raam op het zuiden is net wat minder geschikt; bescherm de plant tegen de felste middagzon, of zet hem net iets verder van het raam.
Even belangrijk als de lichthoeveelheid is de luchtvochtigheid. De huiskamer is in het stookseizoen vaak veel te droog. Dat leidt tot bruine en uitvallende naalden. Streef naar minstens 40% relatieve luchtvochtigheid, en zet de plant in elk geval niet naast of boven een radiator. Een plaatsje in een niet of amper verwarmde kamer helpt: daar is de luchtvochtigheid namelijk doorgaans hoger dan in een drooggestookte huiskamer.
Tot slot loont het om je plant regelmatig te draaien. Zo behoud je de symmetrische vorm. Araucaria’s groeien naar het licht toe, en als ze altijd vanuit dezelfde hoek licht ontvangen, gaat dat al snel ten koste van de regelmaat in de takkenlagen. Een kwartslag draaien per twee weken volstaat.
2.4 Voeding
Een plant die traag groeit, vraagt weinig voeding. Een standaard plantenvoeding voor groene kamerplanten, in halve dosering volgens de verpakking, is voor een araucaria die in de groei is, meer dan voldoende. Geef buiten het groeiseizoen überhaupt geen extra voeding.
2.5 Verpotten
Door hun matige groeitempo hoeven kamerdennen niet vaak verpot te worden. Eens in de twee tot drie jaar in het vroege voorjaar volstaat doorgaans, en alleen als de huidige pot duidelijk te krap is geworden – bijvoorbeeld omdat er wortels door de watergaten onderin steken of omdat de potgrond na een gietbeurt telkens heel snel droog is. Een pot die maar één maatje groter is dan de huidige is meestal voldoende. Te grote potten met veel niet-doorwortelde aarde zorgen voor langer nat blijvende grond en daarmee voor een hoger risico op wortelrot.
Voor het potmengsel is een standaard kamerplantenpotgrond prima. Zet de plant op dezelfde hoogte als hij in de vorige pot stond – te diep planten kan de stamvoet doen rotten – en druk de aarde voorzichtig aan. De wortelkluit is namelijk tamelijk broos, dus die beschadigt gemakkelijk bij een te ruwe behandeling.
2.6 Snoeien
Snoeien is bij deze plant in de regel geen goed idee, en het kan zelfs vrij dramatische gevolgen hebben. Een araucaria groeit, zoals al genoemd onder het kopje Groeiwijze, alleen in de hoogte vanuit de centrale topscheut. Knip je die af, dan stopt de plant doorgaans gewoon met in de hoogte groeien. Soms neemt een zijtak die rol over, maar echt fraai symmetrisch zal je kamerden daarna nooit meer worden.
Hetzelfde geldt min of meer voor de zijtakken. Weggeknipte takken groeien op die plek niet terug. Ons advies zou dan ook zijn om die alleen weg te snoeien als ze te oud en lelijk zijn geworden om nog te kunnen handhaven. Bruine naaldpuntjes alleen kun je het beste gewoon laten zitten of, als ze echt storen, met een schaartje zorgvuldig wegknippen op de plek waar het bruine begint, zonder het gezonde groen mee te nemen.
2.7 Vermeerderen
Vermeerderen is bij deze plant eigenlijk alleen aan te raden als je het leuk vindt om een beetje op de experimentele toer te gaan, en als je bovendien een hoop geduld hebt. Beide gangbare methodes – stekken en zaaien – zijn lastiger dan bij de meeste kamerplanten, en bij stekken is er nog een specifieke complicatie die de moeite van het uitleggen waard is.
2.7.1 Stekken
Bij de meeste kamerplanten geldt: van een willekeurig stukje gezonde plant kun je een nieuwe plant maken. Bij de kamerden is dat veel ingewikkelder, vanwege een verschijnsel dat botanici met de term topophysis aanduiden – oftewel: een stek ‘onthoudt’ van welk deel van de moederplant hij afkomstig is en blijft zich op die wijze gedragen. Concreet betekent het dat een stek genomen van een zijtak ook na beworteling blijft groeien als een zijtak: horizontaal of schuin omhoog, met zijtakken eraan, maar zonder ooit een echte rechtopgaande topscheut te vormen.
Stekken die wel een normaal rechtopgaand boompje opleveren, moeten dan ook altijd van de centrale topscheut komen. Dat kan in principe wel, maar betekent dus dat je de moederplant zijn enige groeipunt ontneemt – met als gevolg dat het oorspronkelijke exemplaar onthoofd is, niet meer in de hoogte zal groeien, en zelf vermoedelijk slechts een steeds asymmetrischer wordend boompje wordt. Bovendien bewortelen stekken van araucaria’s aanzienlijk moeizamer dan veel andere stekken. Groeihormonen (stekpoeder) kunnen helpen, maar slagingspercentages blijven matig.
Voor de huiskamertuinier is stekken in de meeste gevallen dus niet de aanbevolen weg. In de commerciële teelt wordt het, vanwege precies dezelfde redenen, ook nauwelijks gedaan: vrijwel alle gangbare araucaria’s in de handel zijn opgekweekt uit zaad.
2.7.2 Zaaien
Zaaien werkt aanzienlijk beter dan stekken, maar vraagt geduld en geluk. Zaden van Araucaria heterophylla zijn vrij groot, ongeveer drie centimeter lang, en ze zijn, zoals dat heet, recalcitrant: ze drogen slecht en verliezen hun kiemkracht binnen enkele weken na het rijpen. Goed, vers zaad is daardoor lastig verkrijgbaar in Nederland.
Heb je evenwel toch vers zaad in handen gekregen, week dat dan 24 uur in lauwwarm water en zaai het vervolgens half ingegraven in zaai- en stekgrond, op een warme plek van rond de 20 tot 25 graden. Een doorzichtige folie of een minikasje helpt de luchtvochtigheid hoog te houden. Met wat geluk kiemen de zaden binnen enkele weken tot maanden. Verwacht in het eerste jaar een uiterst bescheiden groei; pas vanaf het tweede jaar gaan de zaailingen zichtbaar in de hoogte.
2.8 Bloeiwijze

Strikt genomen bloeit de araucaria niet, omdat het een naaktzadige is, die dus geen bloemen maar kegels produceert. De soort wordt meestal als tweehuizig beschreven: mannelijke en vrouwelijke kegels zitten dan op verschillende bomen. Er schijnen echter ook exemplaren voor te komen met beide typen kegels. De mannelijke kegels zijn betrekkelijk smal en onopvallend; de vrouwelijke kegels worden grote, ronde structuren ter grootte van een flinke grapefruit die ongeveer anderhalf jaar nodig hebben om te rijpen.
Een aardig detail: de zaden in de rijpe kegels zijn eetbaar, als een soort heel grote pijnboompitten.
Voor je kamerden in de huiskamer is dit alles overigens niet aan de orde. Een araucaria gaat pas kegels vormen als volwassen exemplaar, van decennia oud en tientallen meters hoog. In onze huiskamers haalt hij die staat niet.
2.9 Ziektes en plagen
Onder goede omstandigheden is de araucaria opvallend weinig vatbaar voor ziektes en plagen. Het is een tamelijk robuuste plant met harsrijke, voor de meeste insecten onaantrekkelijke naalden. Toch zijn er enkele plaagsoorten die af en toe de kop opsteken, vrijwel altijd als de plant in een te lage luchtvochtigheid en/of op een te warme winterstandplaats staat.
Spint is veruit de meest voorkomende. Het kleine mijtje, dat zich razendsnel kan vermenigvuldigen in warme, droge lucht, duikt met enige regelmaat op. Vroege signalen zijn een lichte verkleuring van de naalden en, bij grotere besmettingen, fijne webjes tussen de takjes. Voorkomen is beter dan genezen: een koelere standplaats ’s winters en een hogere luchtvochtigheid maken de plant veel minder aantrekkelijk voor spint. Treedt het toch op, dan kan even afspoelen onder een lauwe douche al uitkomst bieden, eventueel enkele keren herhaald met telkens een week of wat ertussen. Helpt dat niet, dan kun je overwegen om een biologisch bestrijdingsmiddel te gebruiken, volgens de aanwijzingen op de verpakking.
Wolluis komt ook af en toe voor. Dit kun je herkennen aan de kleine, witte, watachtige propjes in de oksels van de takken. Het beste kun je eerst de luizen verwijderen met een satéprikker of eventueel een wattenstaafje gedoopt in spiritus, en daarna een biologisch bestrijdingsmiddel volgens de aanwijzingen op de verpakking gebruiken. Deze gecombineerde aanpak is aan te raden omdat wolluis vaak hardnekkig is in planten met zoveel verstopplekken.
Wortelrot is, zoals al genoemd bij Water geven, een risico in de winter, als je kamerden te nat staat. Zorg dus dat je terughoudend giet als de plant niet in groei is en hij in een frisse kamer staat.
2.10 Verzorging als kuipplant

Als tuinplant in de volle grond is Araucaria heterophylla in Nederland en België niet geschikt. De soort overleeft in onze streken vrijwel zeker geen winter buiten: zelfs lichte vorst is voldoende om hem ernstige schade toe te brengen. Anders dan bij sommige bananenplanten herstelt de araucaria zich vervolgens niet vanuit de wortelstok – het is dus echt einde verhaal. De wel als tuinplant of -boom geschikte Araucaria araucana, de apenboom, is een geheel andere soort; die kun je dan weer niet als kamerplant houden.
Wat wel goed kan met een kamerden, is hem als kuipplant houden: in een verplaatsbare pot, in de zomer op een beschut warm plekje buiten, in de winter binnen op een lichte, koele plaats van rond de 10 tot 15 graden. Zo’n zomerverblijf buiten doet de plant doorgaans veel goed: het lichtniveau is buiten vrijwel altijd hoger dan binnen, en ziektes en plagen komen amper voor. Wel is het belangrijk de plant geleidelijk te laten wennen aan het zonniger buitenklimaat, en hem niet in één keer van een halfschaduwige kamer in volle middagzon te zetten. De eerste twee weken een halfschaduwig plekje, daarna langzaam meer zon erbij, voorkomt verbranding van de zachte naalden.
Verplaats de plant tijdig naar binnen zodra de nachten richting de 10 graden zakken, dus pakweg ergens half september tot begin oktober. Vorstschade is, zoals gezegd, vrijwel altijd fataal.
2.11 Overige tips bij de verzorging
- Hangende of slap aanvoelende takken duiden meestal op een te lage luchtvochtigheid of een te droge potkluit. In de winter, als de plant op een koele plaats staat, kan het echter ook duiden op wortelrot, dus check even hoe droog de potgrond is voordat je de gieter pakt.
- Bij overplaatsing van het tuincentrum naar de huiskamer reageert de plant vaak met enig naaldverlies. Dat is meestal geen reden tot zorg, mits het beperkt blijft tot een lichte rui in de eerste paar weken na aankoop.
- Een araucaria is eigenlijk niet goed geschikt als kerstboom in de winter. In de woonkamer is het te droog en te warm. Bovendien zijn de takken te zacht en fragiel om vol te kunnen hangen met kerstballen.
- Als langzaam groeiende kamerplant kan een araucaria in de loop der tijd behoorlijk wat stof verzamelen. Even onder de lauwe douche, of, nog beter, in een mals zomers regenbuitje zetten, doet wonderen.
- Voor zover ons bekend is Araucaria heterophylla niet giftig voor mensen, honden of katten.
3. Araucaria kopen: waar moet je op letten en waar kan het?

Araucaria’s zijn in Nederland en België redelijk algemeen verkrijgbaar, zij het niet altijd jaarrond en bij iedere plantenwinkel. Ook online worden ze regelmatig aangeboden. Ze zijn overigens misschien wat duurder dan je zou verwachten: ook een klein, jong exemplaar kan al enkele tientjes kosten. Dat is verklaarbaar, gezien de trage groeisnelheid.
Bij de keuze loont het om naar enkele specifieke dingen te kijken die je bij sommige andere kamerplanten misschien niet meteen op het netvlies hebt. De belangrijkste is het groeipunt: de centrale topscheut moet er stevig, rechtop en helder lichtgroen uitzien, met een duidelijk hartje waaruit de volgende takkenkrans gaat ontspruiten. Is de top afgeknapt, beschadigd of onnatuurlijk schuin gegroeid, dan laat je deze plant beter staan. Vanwege de eigenaardige groeiwijze van de soort herstelt zo’n beschadiging zich namelijk nauwelijks – zie ook het kopje Snoeien eerder in dit artikel.
Een tweede aandachtspunt zijn de onderste takkenlagen. Bij een gezonde jonge plant is de onderste krans volledig groen en gevuld, en hangen de takjes niet slap omlaag. Bruinverkleuringen of kale plekken op de onderkant zijn een teken dat de plant onderweg al een periode te droge of te warme lucht heeft gehad, en die schade herstelt als gezegd niet meer. Op zichzelf hoeft dat geen reden te zijn om de plant niet te kopen, maar het is wel goed om vooraf te weten dat de plant er thuis dus niet meer mooier op zal worden.
De naalden zelf moeten verder licht- tot middengroen zijn, soepel, en bij voorzichtige aanraking niet meteen loslaten. Grote hoeveelheden afgevallen naalden in de pot duiden op een plant die te lang in een te droge omgeving heeft gestaan of anderszins niet optimaal is verzorgd. Inspecteer in zo’n geval ook even de takoksels op spint of wolluis.
Voor zover ons bekend zijn araucaria’s niet giftig voor mensen of huisdieren.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.
