
De bougainvillea is een uitbundig bloeiende kamerplant uit Zuid-Amerika, die met enige aandacht ook in onze contreien prachtig tot bloei kan komen. Als je weleens op vakantie bent geweest rond de Middellandse Zee heb je deze plant ongetwijfeld gezien als een uitbundige waterval van paarse, roze, witte of oranje schutbladeren tegen kalkwitte gevels (zie ook de afbeelding onder de inhoudsopgave hieronder). Hoe zorg je bij bougainvillea’s voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
- Inleiding: wat is de bougainvillea voor plant?
- Verzorging bougainvillea
- Bougainvillea kopen: waar moet je op letten en waar kan het?
- Reacties
1. Inleiding: wat is de bougainvillea voor plant?

Weinig planten weten zo’n volle, mediterrane vakantiesfeer op te roepen als de bougainvillea. De plant is namelijk in het zuiden van Europa alomtegenwoordig, ondanks het feit dat hij van oorsprong helemaal niet uit dat gebied komt. Wat de bougainvillea precies voor plant is, waar hij vandaan komt en welke soorten er allemaal in de handel zijn bespreken we hieronder.
1.1 Habitat en herkomst
Het geslacht Bougainvillea hoort taxonomisch thuis in de wonderbloemfamilie (Nyctaginaceae). Het natuurlijke verspreidingsgebied ligt geheel en al in Zuid-Amerika, meer bepaald in Brazilië, Peru, Bolivia, Ecuador, Paraguay en Argentinië. De bekendste kamer- en kuipplanten uit dit geslacht komen vooral uit Oost- en Zuid-Brazilië of uit de Andeszone van Ecuador tot Bolivia. In de natuur groeien bougainvillea’s bij voorkeur op warme, lichte plekken met goed drainerende grond, aan bosranden, in struweel en op open hellingen. Dat is handig om te weten voor de verzorging; zie met name het kopje Water geven verderop in dit artikel.
Inmiddels is de plant in nagenoeg de hele tropische en subtropische wereld geïntroduceerd. In landen rond de Middellandse Zee, in grote delen van Zuidoost-Azië, in Australië, in zuidelijk Afrika en in de warmere streken van Noord-Amerika is hij een vertrouwde verschijning langs gevels, tuinmuren en pergola’s. Ook is hij daar her en der verwilderd. In onze contreien is dat overigens niet aan de orde. Bougainvillea’s zijn niet of nauwelijks winterhard.
Overigens zou je door de naam van deze kamerplanten wellicht verwachten dat ze oorspronkelijk niet uit Zuid-Amerika, maar uit Frankrijk komen. Dat is dus niet zo, maar er is wel degelijk een link met Frankrijk. Het geslacht Bougainvillea is namelijk genoemd naar de Franse admiraal en ontdekkingsreiziger Louis Antoine de Bougainville (1729–1811), die tussen 1766 en 1769 als eerste Fransman een reis om de wereld maakte. Toen de expeditie in 1767 Rio de Janeiro aandeed, werd daar een bloeiende klimplant verzameld die voor de Europese wetenschap nieuw was. In 1799 kreeg die plant de naam Bougainvillea spectabilis. Dat geeft meteen een vrij nauwkeurig beeld van hoe lang we deze planten al kennen in Europa.
1.2 Groeiwijze
In de natuur is de bougainvillea een houtige, klimmende struik. Echte klimorganen – zoals de hechtwortels van de klimop of de hechtschijfjes van de wingerd – heeft hij niet; hij hangt en haakt zich met behulp van zijn doornen aan andere planten en aan ruwe ondergronden vast. Op die manier kan een wilde bougainvillea zich tot een meter of tien hoog in een boom werken, en met enig kunst- en vliegwerk in een gunstig klimaat zelfs nog wat verder.
Die doornen zijn een aandachtspunt op zich. Het zijn in feite sterk aangepaste zijtakken, en dat verklaart misschien ook waarom ze vaak zo stevig zijn. En scherp. Snoeien is dus geen kwestie om zonder handschoenen aan te pakken. Al moeten we er direct bij zeggen dat bij veel cultivars die je in de huiskamercultuur tegenkomt, de stekels er al vele jaren geleden zo goed als uitgekweekt zijn.
Wat in onze huiskamers dikwijls voor de bloemen van de bougainvillea wordt versleten, zijn eigenlijk helemaal geen bloemen. Het zijn in feite zogeheten schutbladeren: felgekleurde bladeren die rondom de echte bloem staan, in dit geval drie aan drie. De echte bloemen zijn vrij onopvallende, langwerpige, witte tot crèmegele buisjes die in het hart van elke krans van drie schutbladeren staan. Zie voor meer over deze bloei het kopje Bloeiwijze verderop in dit artikel.
Een bougainvillea bloeit hoofdzakelijk op nieuw, jong hout. Dat is iets om in het achterhoofd te houden, zowel bij het snoeien als bij het beheer van een ouder exemplaar dat verhout is geraakt en spaarzaam in bloei staat. Snoeien doet bloeien, zogezegd.
Het natuurlijke groeitempo is, in warme en zonnige omstandigheden, behoorlijk hoog. In onze huiskamer is dat helaas meestal duidelijk anders, simpelweg omdat hier voor een groot deel van het jaar niet aan de lichtwensen kan worden voldaan. Met name in de winter staat de groei zo goed als stil. Dat is in dit geval echter geen probleem – de plant verdraagt dat prima en bloeit het volgende seizoen zelfs vaak rijker als er een fatsoenlijke winterrust aan vooraf is gegaan.
1.3 Soorten
Het geslacht Bougainvillea telt om en nabij zeventien soorten (het exacte aantal zorgt nog altijd voor wetenschappelijk debat). Die zie je echter lang niet allemaal terug in het tuincentrum. Het overgrote deel van de cultivars die in de handel zijn – en dat zijn er inmiddels vele honderden – is namelijk terug te voeren op slechts drie soorten en hun onderlinge kruisingen. Hieronder bespreken we deze drie hoofdsoorten en de belangrijkste hybriden afzonderlijk.
1.3.1 Bougainvillea glabra
Bougainvillea glabra, ook wel ‘papierbloem’ genoemd vanwege de droge, papierachtige schutbladeren, is afkomstig uit Oost- en Zuid-Brazilië. Het is de soort die in onze contreien verreweg het meest in de handel is. De groei is in vergelijking met de andere twee hoofdsoorten compact, en de stengels en bladeren zijn nagenoeg kaal (vandaar glabra: glad). De schutbladeren zijn driehoekig en lopen wat puntiger toe dan bij de zustersoorten. In de wilde vorm zijn ze paars tot magenta, maar er bestaan ook kweekvormen met witte, roze, lila en oranje schutbladeren.
Vanwege zijn compacte groei en de relatief milde bedoorning is B. glabra de meest geschikte soort voor in een pot en als kamer- of kuipplant. Ook als bonsai is hij daarom de beste keuze. B. glabra is in onze contreien niet winterhard.
1.3.2 Bougainvillea spectabilis
Deze soort is eveneens afkomstig uit Oost- en Zuid-Brazilië. Het is de meest robuuste van het drietal. De plant kan in zijn natuurlijke habitat met behulp van zijn flinke doornen wel zes tot tien meter hoog klimmen. De bladeren en jonge stengels zijn behaard, hetgeen een duidelijk onderscheidend kenmerk is ten opzichte van de eerdergenoemde B. glabra. Verder zijn de schutbladeren doorgaans wat groter en ronder, en ze zijn meestal donkerpaars, magenta of crèmewit van kleur. In oudere literatuur kun je deze soort overigens nog weleens tegenkomen onder de naam Bougainvillea brasiliensis.
Ook B. spectabilis is in Nederland niet winterhard. Onder zeer droge, beschutte omstandigheden kan een bougainvillea een korte dip onder het vriespunt overleven, maar of jouw exemplaar dat ook aankan, kun je toch beter niet uittesten. Vanwege de stevige groei en uitgesproken doornen is B. spectabilis wat minder geschikt voor in een kleine pot dan B. glabra.
1.3.3 Bougainvillea peruviana
Zoals de naam al doet vermoeden komt deze soort uit Peru, al loopt het natuurlijke verspreidingsgebied volgens de huidige taxonomische indeling breder: van Ecuador tot Bolivia. B. peruviana is een wat minder krachtige groeier dan beide andere hoofdsoorten, met opvallend wijd uit elkaar staande takken en relatief kleine, magenta tot violetkleurige schutbladeren. De soort zelf kom je hem in de handel maar zelden tegen. Voor de algemene cultuurgeschiedenis van de bougainvillea is hij niettemin belangrijk, en wel als één van de twee ouders van de meeste moderne hybriden – zie daarvoor het kopje Hybriden en cultivars hieronder.
1.3.4 Hybriden en cultivars
Het overgrote deel van de bougainvillea’s die je in tuincentra en bij gespecialiseerde kwekers ziet staan zijn cultivars van hybriden. Er zijn drie hoofdkruisingen te onderscheiden:
- Bougainvillea × buttiana: een kruising tussen B. glabra en B. peruviana. Verreweg de meest gangbare hybridegroep in pot- en kuipcultuur. Veel van de bekendste tuinbouwcultivars stammen hieruit, met name die met opvallend warme tinten als oranje en geel.
- Bougainvillea × spectoperuviana: een kruising tussen B. spectabilis en B. peruviana.
- Bougainvillea × spectoglabra: een kruising tussen B. spectabilis en B. glabra.
Enkele cultivars die je in de handel zoal kunt tegenkomen:
- B. glabra ‘Sanderiana’: een compacte, rijkbloeiende kweekvorm met violette schutbladeren die vrij lang aan de plant blijven. Dit is veruit de meest verkochte bougainvillea in onze contreien.
- B. glabra ‘Alexandra’: vergelijkbaar, eveneens compact en violet.
- B. × buttiana ‘Mrs Butt’: een krachtige, klassieke cultivar met magenta tot paarsrode schutbladeren. In de handel krijgt deze vorm ook weleens de naam ‘Crimson Lake’
- B. × buttiana ‘Louis Wathen’ (ook ‘Mrs McLean’): warmoranje schutbladeren die met de tijd roze verkleuren.
- B. × buttiana ‘Golden Glow’ (ook ‘California Gold’): goudgele tot oranje schutbladeren, die eveneens verbleken met de leeftijd.
- B. × buttiana ‘Barbara Karst’: een Amerikaanse cultivar met diep magentakleurige schutbladeren en een uitbundige bloei.
- B. × buttiana ‘Poulton’s Special’: een magenta-roze cultivar. Daarnaast kom je in gespecialiseerde collecties cultivars tegen als ‘San Diego Red’ en ‘Mary Palmer’s Enchantment’; de eerste is geliefd om zijn diepe roodtinten, de tweede om witgroene, wat ongebruikelijk getekende schutbladeren.
Tip: omdat de schutbladeren bij veel cultivars in de loop van enkele weken verkleuren, kan een en dezelfde plant er op verschillende momenten heel verschillend uitzien. Dat is dus wel een aandachtspuntje als je een plant uitkiest op z’n kleur: zijn het de bijna uitgebloeide bloemen die je fraai vindt, of juist de net nieuwe bloemen?
2. Verzorging bougainvillea

Bougainvillea’s zijn planten met uitgesproken voorkeuren. Ze willen zon, en wel volop. Ze willen warmte. En, een tikje paradoxaal voor zo’n uitbundig groeiende en bloeiende plant, ze willen het overgrote deel van het jaar relatief droog staan. Als je aan die drie wensen voldoet, kun je rekenen op een werkelijk spectaculaire bloei.
In onze contreien is de bougainvillea daarom eigenlijk beter geschikt als kuipplant dan als echte kamerplant. Hij gedijt het beste in de zomer buiten op een warme, beschutte plek en in de winter binnen op een lichte, koele plaats. Wat dat in de praktijk betekent, bespreken we apart bij het kopje Verzorging als kuipplant verderop in dit artikel. Het is echter ook beslist mogelijk om de bougainvillea jaarrond binnenshuis te houden, mits je beschikt over een zeer zonnige standplaats en bij voorkeur een wat koelere, maar ook zeer lichte ruimte voor in de winter.
2.1 Water geven
Bij het water geven is er één regel die boven alle andere uitstijgt: bougainvillea’s hebben een uitdrukkelijke hekel aan natte voeten. Een potkluit die te lang verzadigd blijft, leidt vrijwel zonder uitzondering tot wortelrot. En zelfs als het geen wortelrot wordt, is een te natte plant zeer geneigd om zijn bladeren te laten vallen en met bloeien te stoppen.
In het groeiseizoen (van het late voorjaar tot in de nazomer) wil de plant tijdens warme dagen rijkelijk water hebben – in zijn natuurlijke habitat valt nu eenmaal in het regenseizoen behoorlijk wat neerslag – maar de potkluit moet tussen de gietbeurten door licht kunnen opdrogen. Even paradoxaal is dat lichte droogtestress bij uitstek de manier is om bloei af te dwingen. Veel ervaren bougainvilleakwekers houden hun planten dan ook bewust een beetje aan de droge kant in de bloeiperiode.
In de winter ligt de zaak heel anders. Dan zit de plant in zijn rustfase en heeft hij nauwelijks tot geen water meer nodig. Houd de potkluit alleen net vochtig genoeg om te voorkomen dat deze volledig uitdroogt; één keer per twee weken een klein scheutje is in koele overwinteringsomstandigheden meestal ruim voldoende.
2.2 Temperatuureisen
In het groeiseizoen heeft de bougainvillea graag temperaturen tussen de 20 en 30 graden, en hoger is geen probleem. De plant verdraagt gemakkelijk 35 graden of meer, mits er voldoende water beschikbaar is (zie ook Water geven hierboven).
In de winter ligt de optimale temperatuur juist veel lager. Tussen ongeveer 10 en 15 graden zit de plant het comfortabelst in zijn rust. Koeler kan soms ook – denk aan 5 tot 10 graden – mits de standplaats vorstvrij is en de potkluit aan de droge kant blijft. Hij verliest dan vaak een groot deel of zelfs nagenoeg al zijn blad, hetgeen voor onervaren bougainvilleakwekers af en toe schrikken kan zijn, maar het is zeker niet ongebruikelijk, en kan voor de plant eigenlijk weinig kwaad. In het voorjaar loopt hij gewoon weer uit.
Vorst verdraagt de bougainvillea niet of nauwelijks. Sommige oudere, grotere exemplaren kunnen bij droge wortels een zeer kortstondige dip rond 0 graden overleven, maar de bovengrondse delen raken al snel beschadigd en bij aanhoudende vorst is het verhaal afgelopen. In de praktijk betekent dit dat een bougainvillea die in de zomer buiten staat ruim vóór de eerste nachtvorst binnen moet zijn – pakweg eind september tot half oktober, afhankelijk van het jaar en je lokale microklimaat.
Tip: probeer de bougainvillea niet warm te laten overwinteren in een drooggestookte huiskamer. De rustperiode wordt dan verstoord, de plant raakt vatbaar voor ziektes en plagen als spint en luis, en bovendien blijkt het volgende seizoen vaak dat de bloei sterk achterblijft of zelfs uitblijft.
2.3 Standplaats
Bij vakantiegangers is de Mediterranee om precies dezelfde reden geliefd als bij de bougainvillea: zon, zon en nog eens zon. Een standplaats voor het zuiden, achter glas of (in de zomer) buiten, is dan ook bij uitstek geschikt voor deze kamerplanten. In de winterperiode is een serre of een koele lichte kamer ideaal. Te weinig licht is veruit de meest voorkomende reden dat een bougainvillea in onze contreien niet wil bloeien, of in elk geval niet uitbundig.
In de zomer doet de plant het opvallend goed buiten. Het is een uitgelezen kandidaat voor een terras of balkon, op een lekker zonnige, beschutte plek. Tegen een muur op het zuiden is meestal een schot in de roos.
Tip: omdat de bougainvillea geen echte klimmer is, kan hij weliswaar door andere planten heen groeien, maar zal hij niet uit eigen beweging tegen een muur of een rek opklimmen. Als je je bougainvillea als klimplant wil houden, zul je hem moeten leiden met een klimrek of, in elk geval bij jonge planten, met touwtjes of klemmetjes.
2.4 Voeding
In het groeiseizoen heeft de bougainvillea relatief veel voeding nodig. Geef hem in elk geval eens per twee weken een dosis vloeibare plantenvoeding volgens de aanwijzingen op de verpakking. Bij heel veel zon en een lekker hoog groeitempo mag het zelfs wel iedere week.
Het type voeding doet er hier wat meer toe dan bij de meeste andere kamerplanten. In de vroege groei kan een gewone, evenwichtige kamerplantenvoeding of kuipplantenvoeding prima zijn. Zodra de plant knoppen en kleur begint te maken, is een voeding voor bloeiende planten of mediterrane kuipplanten geschikter. Je wilt immers dat de plant focust op de bloei, niet op de groei.
In de winter geen extra voeding. De plant is dan in rust.
2.5 Verpotten
Een misvatting onder beginnende bougainvilleakwekers is om hun plant zo snel mogelijk in een ruime pot over te zetten. Dat blijkt vaak niet verstandig. De bougainvillea staat liever wat krap dan ruim in zijn pot. In een te grote pot zal de plant geneigd zijn om vooral blad en stengelmassa te ontwikkelen en relatief weinig bloei te tonen. Bovendien is een te ruime pot, gegeven de uitgesproken hekel die deze plant heeft aan natte voeten (zie Water geven hierboven), vragen om problemen zoals wortelrot.
Verpot je bougainvillea daarom pas als de huidige pot stevig is doorworteld, en dan in een pot die hooguit één of twee maten groter is. Het beste moment is het begin van het voorjaar, vlak voordat de plant uit zijn winterrust komt.
Gebruik een voedzame, vooral goed waterdoorlatende potgrond. Een mengsel van pakweg drie delen kwalitatief goede potgrond met één deel scherp tuinzand, eventueel aangevuld met wat goed verteerde organische mest, werkt uitstekend.
Tip: de wortels zijn tamelijk kwetsbaar; ze breken gemakkelijk af. Ga bij het verpotten dus voorzichtig te werk.
2.6 Snoeien
Snoeien hoeft niet, maar het is wel een aanrader. Een ongesnoeide bougainvillea ontwikkelt nogal eens meterslange, dunne, vaak slechts spaarzaam vertakte ranken met aan het uiteinde een bloeiwijze, en dat ziet er meestal niet erg fraai uit. Een goed gesnoeide plant ziet er compacter uit, vertakt veel beter en bloeit dus ook uitbundiger.
Het belangrijkste om in de gaten te houden bij het snoeien is dat de plant op nieuw, jong hout bloeit (zie ook Groeiwijze eerder in dit artikel). Snoei daarom kort na de bloei, of in het voorjaar net voordat de nieuwe groei aanbreekt, en niet ergens halverwege het groeiseizoen – anders snoei je zo alle potentiële bloeiplekken weg.
Je kunt flink diep terugsnoeien, maar laat altijd een paar oudere, verhoute kerntakken zitten. Zo behoud je een beetje het model en krijg je het volgende jaar een mooie compacte, bossige plant terug. Wat dat betreft kun je, als je eenmaal een mooi model hebt, ieder jaar simpelweg alles wat er het afgelopen jaar nieuw bij is gekomen, weghalen. Snoei niet terug tot op de grond; dat kan zeker bij oudere planten fataal zijn.
Twee opmerkingen nog. Ten eerste: de bedoorning. Veel cultivars hebben niet of nauwelijks doornen, maar de doornen díe er aan zitten, zijn doorgaans erg stevig en scherp, net als van een tuinroos. Ten tweede: cultivars die op een stam zijn geënt – zogenoemde stambougainvillea’s – vragen om voorzichtigheid. Bij deze planten moet je alleen de kroon snoeien, dus de bovenkant van de plant. Snoei je dieper terug, dan loop je kans dat je die hele cultivar wegsnoeit. En de stam, die zit er niet omdat-ie zo fraai is, maar omdat die een goede basis is voor de wél fraaie cultivar. Zijscheuten die onderaan die stam verschijnen, moet je dan ook verwijderen. Die verknoeien het model en zorgen ervoor dat er minder energie naar de geënte cultivar gaat.
Tip: bewaar enkele halfverhoute stukjes na de snoeibeurt. Daar kun je namelijk uitstekend mee proberen te stekken; zie hieronder.
2.7 Vermeerderen
De bougainvillea is geen kamerplant die zich gemakkelijk laat vermeerderen. Het slagingspercentage bij stekken is tamelijk bedroevend. Een wat indirectere vermeerderingstechniek, afleggen, werkt vaak een stuk betrouwbaarder. Beide methodes bespreken we hieronder.
Vermeerderen uit zaad is technisch mogelijk maar in de praktijk voor de huiskamertuinier weinig zinvol. De zaden zijn niet of nauwelijks te krijgen, omdat de meeste cultivars in Nederlandse omstandigheden zelden tot nooit zaden produceren. Bovendien zou een eventuele kiemplant geen genetisch identieke kloon zijn, en bij hybriden tussen verschillende soorten zou het resultaat dus zomaar heel anders kunnen zijn dan de moederplant.
2.7.1 Stekken
Voor het stekken gebruik je het beste halfverhout materiaal: stukjes stengel die niet meer geheel groen en sappig zijn, maar ook nog niet volledig verhout, met een geringe dikte. Knip stekken van ongeveer tien tot vijftien centimeter, met aan de bovenkant een knop met al uitlopende blaadjes en de onderkant net onder een knop. Verwijder alle behalve de bovenste blaadjes.
Bougainvillea-stekken hebben relatief veel moeite om wortel te schieten. Het gebruik van stekpoeder (bijvoorbeeld op basis van indol-3-boterzuur, kortweg IBA) is hierbij geen overbodige luxe. Doop de bevochtigde onderkant van de stek in stekpoeder en plaats hem vervolgens in een mengsel van scherp zand en wat zaai- en stekgrond.
Het tweede pijnpunt bij het stekken is de bodemtemperatuur. Beworteling lukt het beste bij een stabiel warme bodem; mik in de praktijk op minimaal 20 tot 25 graden. Dat haal je in een gewone Nederlandse huiskamer niet zomaar. Een verwarmde stekkas, of een propagator met bodemverwarming, is voor wie deze planten is echt een aanrader als je serieus aan de slag wilt gaan met stekken. Houd de luchtvochtigheid hoog door het geheel af te dekken met doorzichtig plastic.
Onder gunstige omstandigheden duurt de beworteling vier tot zes weken; bij meer verhoute stekken kan het duidelijk langer duren. Dat is behoorlijk lang, dus zorg dat je voldoende ventileert om schimmelvorming tegen te gaan. Een duidelijk teken van succes is als het stekje begint te groeien. Pot de stekken daarna voorzichtig op in meer voedzame potgrond.
Tip: de optimale momenten om te stekken zijn het late voorjaar en de vroege zomer (met halfverhoute stekken van niet-bloeiende toppen) en, voor de gevorderden, de winter (met meer verhoute stekken, in een verwarmd kasje).
2.7.2 Afleggen
Als je geen verwarmde stekkas tot je beschikking hebt, kun je het beter eens proberen met afleggen. Dat is een vermeerderingstechniek waarbij de ‘stek’ gewoon aan de moederplant blijft zitten totdat hij eigen wortels heeft gevormd. Dat heeft als groot voordeel dat de potentiële stek de hele tijd via de moederplant van vocht en voedingsstoffen wordt voorzien. De kans dat de stek het loodje legt voordat-ie zelfstandige wortels heeft gevormd, is daarmee een stuk lager.
De methode is betrekkelijk eenvoudig. Buig in het voorjaar een lange, soepele scheut van de moederplant omlaag naar een afzonderlijk potje met stekgrond, dat je vlak naast de pot van de moederplant zet. Maak op de plek waar de scheut de grond raakt heel voorzichtig een ondiepe insnijding met een scherp mes – niet zo diep dat de scheut afbreekt, maar net diep genoeg om wat van de schors te beschadigen. Eventueel kun je de wond licht met stekpoeder bestrooien. Zet vervolgens de scheut vast in het stekpotje, bijvoorbeeld met een U-vormig metalen klemmetje, en druk hem licht onder een dunne laag aarde.
Houd het stekpotje vochtig (maar niet drassig). Tegen het eind van het groeiseizoen, ergens in het najaar, zou de afleg eigen wortels moeten hebben gevormd. Knip dan de ‘navelstreng’ tussen moederplant en stek door en heb je een nieuwe, kant-en-klaar gewortelde bougainvillea.
2.8 Bloeiwijze

De bloeiwijze van de bougainvillea is, zoals we eerder vaststelden bij het kopje Groeiwijze, vooral een spel van schutbladeren. De eigenlijke bloemen zijn namelijk vrij klein en onbeduidend; het zijn de felgekleurde, papierachtige schutbladeren die de show stelen. Zie ook de afbeelding hierboven. De echte bloemen zijn die drie kleine donkere buisjes (tijdens het begin van de bloei doorgaans veel lichter gekleurd) met aan het einde een witte tot crèmegele structuur. Vanuit de top van het buisje steken op het hoogtepunt van de bloei dunne stempels en meeldraden naar buiten. Veel groter en opvallender zijn de drie felroze gekleurde (althans, in dit specifieke geval) schutbladeren.
De gehele bloeiwijze kan uit tientallen tot vele honderden van zulke bloemen plus schutbladeren bestaan, verspreid over alle delen van de plant.
De bloeitijd in onze contreien is gewoonlijk de zomer, ruwweg van juni tot in september, soms doorlopend tot in oktober. Veel cultivars laten een eerste, vrij uitbundige bloei in juni-juli zien, gevolgd door een korte rustfase en een tweede bloei in de nazomer. Bij planten die binnen worden gehouden, en bij overwinterende planten in een wintertuin of warme serre, kan de bloei nog enkele weken doorgaan tot rond de kerst.
De drie belangrijkste factoren om tot een uitbundige bloei te komen: voldoende licht (zie Standplaats), een fatsoenlijke winterrust in het voorafgaande seizoen, en, ten slotte, een lichte droogtestress (zie Water geven). Daarnaast helpt het om de plant in het groeiseizoen ruimhartig te bemesten met een kaliumrijke meststof.
2.9 Ziektes en plagen
Bij een goede groei is de bougainvillea relatief weinig vatbaar voor ziektes en plagen. De problemen die deze plant kunnen treffen ontstaan vrijwel allemaal in de minder gunstige periodes van het jaar – typisch tijdens het overwinteren in een te warme, te droge woonkamer.
Spint is veruit het meest algemeen, zeker bij warme, droge overwintering. Het effectiefste tegengif is een hogere luchtvochtigheid. Zet je plant enkele keren onder een zachte douche, met koel of net handwarm water, om de mijten weg te spoelen. Vergroot daarnaast de luchtvochtigheid door regelmatig te vernevelen of de plant op een schaal met natte hydrokorrels te plaatsen. Een vrij koele, lichte overwinteringsplek is in dit opzicht een veel betere keuze dan de gemiddelde verwarmde woonkamer.
Bladluis is de op één na meest algemene plaag. Bij een lichte aantasting volstaat het meestal om de luizen onder de douche of tuinslang weg te spoelen. Bij hardnekkiger of grotere aantastingen is een (bij voorkeur biologisch) bestrijdingsmiddel een optie; volg de aanwijzingen op de verpakking. Net als bij spint is het trouwens vanaf de lente tot aan het najaar aan te raden om je bougainvillea buiten te zetten, als je beschikt over een balkon of een tuin; dat doet de plaag meestal sterk afnemen.
Wolluis komt minder vaak voor maar kan zich nestelen in de oksels van de bladeren en op de onderzijde. Behandel een lichte aantasting door de luizen één voor één aan te stippen met een wattenstaafje gedrenkt in spiritus. Bij grotere aantastingen is te overwegen om een (biologisch) bestrijdingsmiddel te gebruiken, conform de aanwijzingen op de verpakking.
Ook witte vlieg komt weleens voor. Controleer daarom af en toe de onderzijde van het blad.
Bij alle plagen is het vanaf de lente tot aan het najaar aan te raden om je bougainvillea buiten te zetten, als je beschikt over een balkon of een tuin; dat doet de plaag meestal sterk afnemen.
Tot slot: wortelrot. Het is in de overgrote meerderheid van de gevallen niet zozeer een schimmelinfectie als wel een rechtstreeks gevolg van te veel water. Zie het kopje Water geven hierboven.
2.10 Verzorging als kuipplant
Hoewel we de bougainvillea hier op Goede Groei in het rijtje van de kamerplanten hebben opgenomen, zal het de oplettende lezer inmiddels niet meer verbazen dat deze kamerplant zich eigenlijk meer thuis voelt als kuipplant. Dat wil zeggen: in de zomer buiten op een zonnige plaats, en in de winter binnen op een lichte, koele plek. Onder die omstandigheden laat hij doorgaans veruit de mooiste bloei zien.
Als je je bougainvillea in de zomer naar buiten wil verhuizen volgen zijn er wel enige specifieke aandachtspunten om in acht te nemen.
Het beste moment om de plant in het voorjaar buiten te zetten is na IJsheiligen (rond half mei), wanneer de kans op nachtvorst praktisch verstreken is. Zet hem niet onmiddellijk in de felle middagzon, maar laat hem eerst een week of twee acclimatiseren op een wat luwere plaats, om verbranding van het blad te voorkomen. Wen hem vervolgens stap voor stap aan steeds langere directe blootstelling aan de zon.
In het najaar is het cruciaal om de plant binnen te halen vóór de eerste nachtvorst. Dat betekent in de praktijk doorgaans ergens tussen eind september en half oktober, afhankelijk van de regio en het lopende seizoen.
Voor de overwintering zelf zijn er twee scenario’s, afhankelijk van wat je tot je beschikking hebt:
- Een koele, lichte overwinteringsplek (5 tot 15 graden). Denk bijvoorbeeld aan een lichte zolderkamer, of een vorstvrije serre. De plant zal vaak een groot deel van of nagenoeg al zijn blad laten vallen – dat is volkomen normaal. Geef in deze periode zeer spaarzaam water; één keer per twee weken een klein scheutje is genoeg, en alleen om volledige uitdroging van de potkluit te voorkomen.
- Een warme, lichte overwinteringsplek (16 tot 20 graden). Dat wil zeggen, gewoon binnenshuis in een lichte zuidkamer. De plant zal vaak nog een tijdje doorbloeien, soms zelfs tot in december. Geef in dat geval iets meer water (maar nooit veel: zeker niet vaker dan eens per week, en niet meer dan een klein scheutje). Het nadeel van deze methode is dat de bougainvillea in een warme winter zijn rustperiode niet of nauwelijks doormaakt, hetgeen het bloeisucces in het volgende seizoen al snel benadeelt.
Tip: ongeacht welke overwinteringsmethode je kiest, blijft een lichte standplaats van groot belang.
2.11 Overige tips bij de verzorging
- De doornen van sommige bougainvillea’s zijn niet alleen scherp, maar dragen aan de punt vaak een wasachtig laagje dat bij sommige mensen een lichte allergische reactie kan veroorzaken. Bij een prik kunnen er soms milde dermatitis-achtige verschijnselen optreden, vergelijkbaar met die van een brandnetel. Hoewel dit geen reden is om de plant te mijden, is het wel aan te raden om bij het snoeien handschoenen te dragen, helemaal als je er gevoelig op reageert.
- De bougainvillea geldt niet als een giftige kamerplant voor mensen of huisdieren. Maar opnieuw: let op doornen.
- Een typisch eerste signaal dat een bougainvillea in een te warme, te droge ruimte staat zonder dat hij voldoende licht krijgt, is dat hij blad begint te verliezen zonder dat er aanstonds nieuw blad verschijnt. Dit is bijzonder gangbaar tijdens de overwinteringsperiode en is niet altijd een teken van een echt verzorgingsprobleem; vaak helpt het al om de plant koeler en lichter te zetten.
- Verkleuring van de schutbladeren van de bloeiwijze in de loop van enkele weken is volstrekt normaal. Veel cultivars beginnen met heldere, verzadigde kleuren die na verloop van tijd verbleken of zelfs van tint veranderen. Bij sommige buttiana-cultivars die als jong oranje of geel beginnen, eindigt de bloei in zachtroze of perzikkleur.
- Vergeling van de bladeren kan een gevolg zijn van een tekort aan stikstof, met name in het groeiseizoen. Een lichte bemesting met een stikstofrijke meststof helpt dan om de bladkleur weer normaal te krijgen. Vergeling kan echter óók een teken van te veel water zijn (zie wederom Water geven), dus check eerst de potgrond voordat je gaat bemesten.
- Bougainvillea’s kunnen opvallend oud worden, zelfs in een pot. Exemplaren van decennia oud zijn beslist geen zeldzaamheid bij toegewijde liefhebbers en in de kuipplantencultuur. Regelmatig flink snoeien helpt, zelfs op hoge leeftijd, om de plant fraai en vitaal te houden.
3. Bougainvillea kopen: waar moet je op letten en waar kan het?

Bougainvillea’s worden in tuincentra het vaakst in het voorjaar en de zomer aangeboden, vaak als compacte, jonge planten die zijn opgeleid op een klein klimrekje of een spiraalvormig metalen vormbeugeltje. De aangeboden cultivars zijn praktisch zonder uitzondering kweekvormen van B. glabra of van de B. × buttiana-groep, in kleuren variërend van violet via roze tot oranje en wit. Voor exotischere cultivars, en zeker voor de minder algemene soorten als B. peruviana of geënte stambougainvillea’s, ben je aangewezen op een gespecialiseerde kweker.
Bij de aanschaf zijn er enkele aandachtspunten:
- Kijk vooral naar de groei. Een gezonde plant heeft frisse, glanzende bladeren en duidelijke jonge scheuten, geen bleke of slappe bladeren.
- Controleer de potkluit. Een goed doorwortelde, niet doorweekte kluit duidt op een gezonde plant.
- Een bougainvillea die in volle bloei staat zal het na aankoop in vrijwel alle gevallen een tijdje wat minder doen. Dat is geen reden om aan de plant of de kweker te twijfelen, maar het is wel goed om je verwachtingen daarop af te stemmen. Een plant met flink wat opkomende knoppen, in plaats van een al maximaal exemplaar, kan wat dat betreft leuker zijn: die zul je namelijk thuis vol in bloei zien komen.
- Wees alert op de bedoorning. Sommige cultivars (met name binnen de B. glabra-groep) hebben amper of geen doorns; andere (vooral binnen de B. spectabilis-groep) zijn juist nogal stekelig. Zeker met kleine kinderen, of als je de plant ergens bij een looproute wilt zetten, is dat belangrijk.
- Kies bij voorkeur een wat kleinere plant. Kleinere bougainvillea’s zijn niet alleen aanzienlijk goedkoper, maar ze hebben ook minder moeite om te wennen aan de overgang van de warme, vochtige kweekkas naar vaak toch wat minder optimale omstandigheden in de woonkamer.
- Geënte stambougainvillea’s, dat wil zeggen: bougainvillea’s die op een rechte stam zijn gecultiveerd, zien er decoratief uit maar vragen iets meer aandacht bij het snoeien. En je kunt later eigenlijk niet echt meer van het model afwijken. Zie daarvoor het kopje Snoeien eerder in dit artikel.
Een laatste tip die bij deze bijzondere plant maar weinig huiskamertuiniers in de gedachte komt: kijk in de wintermaanden ook eens bij gespecialiseerde kwekers van kuipplanten en mediterrane planten. De Nederlandse Kuipplantenvereniging en haar leden zijn een goed startpunt. Sommige van die kwekers hebben een aanzienlijk gevarieerder cultivar-aanbod dan het reguliere tuincentrum, inclusief minder gangbare kleuren, dubbelbloemige varianten en bontbladige cultivars.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.