
De adiantum, in het Nederlands meestal venushaar genoemd, is een uitzonderlijk sierlijke kamerplant: een varen met haarfijne, lichtgroene blaadjes aan dunne, vrijwel zwarte bladstelen. Mooi is hij dus zeker – gemakkelijk is hij echter niet. In de huiskamer drogen de teerste exemplaren soms al uit voordat je goed en wel beseft dat er iets aan de hand is. Hoe zorg je bij adiantums voor een goede groei, waar kun je deze kamerplanten kopen en waar moet je dan op letten? Dat en meer bespreken we in dit artikel in vier punten:
1. Inleiding: wat is de adiantum voor plant?

Adiantum is een varengeslacht van indrukwekkende omvang: het telt ruim 240 geaccepteerde soorten, verspreid over vrijwel alle continenten. Het zwaartepunt ligt in de tropen, maar enkele soorten halen het tot in het gematigde klimaat, en er is er zelfs één, Adiantum capillus-veneris, die van nature voorkomt in Zuid- en West-Europa. Wat de soorten met elkaar verbindt, is hun uiterlijk: dunne, vaak gitzwarte bladstelen waarop een fijn vertakt, lichtgroen blad zit dat bij sommige soorten doet denken aan een soort bladwaterval.
De wetenschappelijke geslachtsnaam Adiantum komt uit het Grieks en betekent zoveel als ‘niet bevochtigd’. De naam slaat op een eigenschap die je in huis goed kunt natrekken: als je water op de bladeren laat vallen, parelen de druppels eraf zonder het blad echt nat te maken. De Romeinse natuurhistoricus Plinius beschrijft het verschijnsel al in zijn Naturalis Historia, en ook vandaag de dag blijft het een aardig effect om te zien; zie ook de foto hieronder.

De Nederlandse naam venushaar, en het Engelse maidenhair fern, gaat terug op de fijn vertakte bladstelen die aan haarlokken doen denken, en meer specifiek aan de in de oudheid aan godinnen toegeschreven krullen. Linnaeus gaf de Zuid-Europese soort daarom in 1753 de naam Adiantum capillus-veneris, vrij vertaald: het venushaar (capillus, haar) van de godin Venus (veneris).
Naast sierwaarde had de plant overigens lange tijd ook een nutsfunctie. Van A. capillus-veneris werd in Zuid-Europa eeuwenlang een siroop bereid die in het Frans sirop de capillaire heette en in het Nederlands enkel als capillaire bekendstond. Aanvankelijk was het een hoestdrankje; in de zeventiende en achttiende eeuw kwam het in de mode als zoetmaker voor thee, melkdranken en zelfs vroege punch-recepten. In de loop van de negentiende eeuw raakte het uit de gratie, en tegenwoordig is een echte capillaire-siroop op basis van venushaar nog amper te vinden.
1.1 Habitat
Adiantums zijn vooral planten van vochtige, beschaduwde, vaak kalkrijke standplaatsen. In het wild groeien ze graag op rotsen langs beken, achter watervallen, in spleten van vochtige muren en op de schaduwzijde van begroeide hellingen. Het zijn met andere woorden planten die het vrijwel altijd vochtig hebben aan hun wortels en die tegelijk uitzonderlijk gevoelig zijn voor uitdroging van het blad. Die combinatie maakt ze niet bepaald de vanzelfsprekendste keuze voor een doorsnee huiskamer, en het is meteen ook de belangrijkste verklaring voor de niet al te geweldige reputatie die deze planten genieten onder huiskamertuiniers; zie ook het kopje Standplaats verderop in dit artikel.
Adiantum raddianum, de soort die je in vrijwel elk tuincentrum als ‘venushaar’ tegenkomt, komt van nature voor van Mexico, Midden-Amerika en de Cariben tot diep in van tropisch Zuid-Amerika, waaronder Brazilië. Buiten zijn oorspronkelijke verspreidingsgebied heeft hij zich op enkele plekken inmiddels stevig gevestigd: op Hawaï en in Frans-Polynesië wordt hij als invasief beschouwd. Adiantum capillus-veneris daarentegen heeft een vrijwel kosmopolitische verspreiding: hij komt voor in Zuid-Europa, Noord-Afrika, delen van Azië, Australië en Noord- en Zuid-Amerika.
1.2 Groeiwijze

Een adiantum groeit als een compacte tot wat losser uitwaaierende pol. De samengestelde bladeren (die er eigenlijk meer uitzien als takjes) komen rechtstreeks uit een kort kruipend wortelstuk, ook wel rizoom genoemd. De bladsteel is dun en stug en heeft die voor de soort zo karakteristieke zwarte tot diep kastanjebruine kleur. Aan die steel ontwikkelt zich een meervoudig geveerd blad waarvan de uiteindelijke bladdeeltjes, de zogeheten pinnulae, een waaier-, ruit- of niervorm hebben en vaak nog geen halve centimeter breed zijn.
Adiantums zijn varens, en varens vermeerderen zich niet via bloemen en zaden maar via sporen. Bij de meeste varens zitten die sporen onder de bladeren in kleine bruine vlekjes, de zogenoemde sori. Bij adiantums zit het net wat anders dan bij zo’n beetje alle andere varens: de bladrand krult zich aan de achterkant van het blad om, en juist op die omgeslagen rand zelf zitten de sporendragers. Voor wie het detail wil bekijken: zie ook het kopje Bloeiwijze verderop in dit artikel.
In de huiskamer groeit een adiantum doorgaans niet snel. Een mooie volwassen A. raddianum haalt een hoogte van zo’n 30 tot 50 centimeter en wordt ongeveer even breed. Andere soorten kunnen wat groter of juist kleiner blijven, maar geen enkele adiantum is een echte reus; dit is geen plant die ooit een hele kamer in beslag dreigt te nemen.
1.3 Stamboom en verwante kamerplanten
Adiantum behoort tot de familie Pteridaceae, in het Nederlands beter bekend als de lintvarenfamilie. Op Goede Groei is dat de enige vertegenwoordiger van die familie. Verwantschap met andere varens op onze website bestaat wel een trapje hoger in de stamboom, op het niveau van de orde Polypodiales. Tot diezelfde orde behoren onder meer de krulvaren (Nephrolepis), het apenpootje en de hazenpootvaren (Davallia en Humata), de nestvaren (Asplenium), de ijzervaren (Cyrtomium), de kangoeroevaren (Microsorum), de blauwvaren (Phlebodium), de hertshoornvaren (Platycerium) en de dubbelloofvaren (Blechnum).
Iets verder weg in de stamboom, maar nog steeds binnen de grote groep van de varens, staat de boomvaren (Dicksonia). Die hoort in een afzonderlijke orde (Cyatheales) thuis. Binnen die brede paraplu van varens valt de adiantum vooral op door zijn opvallend dunne, zwartachtige bladstelen en zijn fijn ingesneden, lichtgroene blad; precies de kenmerken waar de plant ook zijn alledaagse naam venushaar aan dankt.
1.4 Soorten
Van de ruim 240 geaccepteerde adiantum-soorten worden er maar enkele met regelmaat als kamerplant verkocht. Veruit de belangrijkste is Adiantum raddianum; A. capillus-veneris kom je af en toe tegen, en sporadisch duikt er een derde of vierde soort op. We bespreken ze hieronder kort, met een aantal cultivars die je daadwerkelijk in de winkel kunt aantreffen.
1.4.1 Adiantum raddianum
Verreweg de meest aangeboden soort, soms ook nog onder zijn verouderde naam Adiantum cuneatum. Deze soort heeft fijn drie- tot viermaal geveerde bladeren met waaiervormige pinnulae (deelblaadjes) van pakweg een halve centimeter breed. De bladstelen zijn nagenoeg zwart. Jonge bladeren hebben aanvankelijk een licht roze tot bronskleurige tint, die binnen enkele dagen overgaat in helder appelgroen.
Van A. raddianum zijn talloze cultivars in cultuur. Een handjevol kom je in de handel met enige regelmaat tegen:
- A. raddianum ‘Fragrantissimum’ (in de handel vaak nog als ‘Fragrans’): een veel verkochte cultivar, vrij groeikrachtig, met – zoals sommige verkopers beweren – enigszins geurende bladeren. Dat laatste is naar ons idee, als het al zo is, een wel zeer subtiele eigenschap; verwacht er niet te veel van.
- A. raddianum ‘Fritz Lüthi’: forse, diep ingesneden pinnulae (deelblaadjes) en een wat stevigere groeiwijze dan ‘Fragrantissimum’. Een oude cultivar die de aandacht waard is.
- A. raddianum ‘Microphyllum’: een dwergvorm met heel kleine bladdeeltjes en een compacte groeiwijze; blijft doorgaans rond 25 tot 30 centimeter.
- A. raddianum ‘Brilliantelse’: opvallend door zijn duidelijk roze tot violet uitlopende jonge bladeren, die later vergroenen.
- A. raddianum ‘Kensington Gem’: vol blad met fijn ingesneden, licht tot middengroene pinnulae.
- A. raddianum ‘Snowflake’ (synoniem: ‘Variegatum’): een bonte cultivar met roomwitte spikkels door het blad. Wat minder groeikrachtig dan de groenbladige cultivars.
1.4.2 Adiantum capillus-veneris
Strikt genomen hét venushaar; dit is immers de soort die Linnaeus de soortnaam capillus-veneris – venushaar – meegaf. Botanisch herken je hem aan iets bredere, meer waaiervormige pinnulae dan bij A. raddianum, en aan een wat slankere algehele groeiwijze. Het is een van de weinige adiantums waarvan het natuurlijke verspreidingsgebied tot in Europa reikt: hij komt onder meer voor langs vochtige rotswanden in het Middellandse Zeegebied.
In de handel is A. capillus-veneris tegenwoordig minder algemeen dan A. raddianum, terwijl hij wel iets minder kieskeurig is qua verzorgingseisen. In milde streken kun je hem soms zelfs als tuinplant houden, mits hij op een vochtige, beschutte plek staat, met enige kalk in de grond.
1.4.3 Overige Adiantum-soorten
Als je bij een goed gesoorteerde verkoper bent, kun je af en toe nog op andere soorten stuiten. Adiantum tenerum uit Midden-Amerika lijkt sterk op A. raddianum maar heeft wat steviger en grotere pinnulae; deze soort wordt vooral in de Verenigde Staten als kamervaren gekweekt en duikt af en toe op bij gespecialiseerde Europese kwekers. Adiantum peruvianum is een opvallende soort met heel grote, ruitvormige pinnulae van enkele centimeters breed – voor adiantumbegrippen een waar reuzenformaat.
Een verwarrend geval is Adiantum pedatum, de ‘handvaren’ uit Noord-Amerika en Oost-Azië. Deze soort is wél redelijk winterhard en hoort daarmee eerder thuis als tuinplant dan in de huiskamer. Mocht je hem desondanks als kamerplant aangeboden krijgen, kun je beter naar een andere soort uitkijken. Binnen blijft hij doorgaans niet lang mooi, omdat hij juist een koele winterrustperiode nodig heeft.
2. Verzorging adiantum (venushaar)

We zullen er niet omheen draaien: adiantums staan bekend als veeleisende kamerplanten, en die reputatie is verdiend. De meeste exemplaren die je in de gemiddelde huiskamer ziet sneuvelen, gaan ten onder aan dezelfde twee oorzaken: te droge lucht en onregelmatig water geven. Zorg je dat die twee aspecten in orde zijn, dan blijkt de plant verrassend dankbaar. Hieronder bespreken we de aandachtspunten één voor één.
2.1 Water geven
Een adiantum wil eigenlijk altijd vochtig staan, maar nooit echt nat. Concreet betekent dat: zodra de bovenkant van de potkluit droog aanvoelt, geef je water. Laat je de kluit een keer écht uitdrogen, dan vergeeft de plant je dat doorgaans niet: ingedroogde adiantumbladeren herstellen niet meer, en je kunt op dat moment vrijwel alleen nog hopen op nieuw uitlopend blad vanuit de wortels (zie het kopje Snoeien verderop in dit artikel). Dat is een heel verschil met andere kamerplanten: als die aangeven dat ze dorstig zijn door hun bladeren te laten hangen, hoeft dat geen schadelijke gevolgen te hebben – mits je de hint oppikt, natuurlijk.
Het is daarom te overwegen om op een nogal afwijkende wijze water te geven. Niet voorzichtig vanaf de bovenkant met een gietertje, maar door de gehele pot regelmatig kort onder te dompelen in een emmer of teil water tot er geen luchtbelletjes meer omhoog komen. Laat de pot vervolgens uitlekken voordat je hem terugzet, want langdurig in een laagje water staan is ook weer niet de bedoeling. Houd een vast ritme aan: in de zomer kan dat twee tot drie keer per week zijn, in de winter doorgaans eens per week tot eens per tien dagen. In de winter kun je trouwens wel prima terugvallen op de gebruikelijke gieter, omdat de planten dan aanmerkelijk minder dorstig zijn.
Adiantums kunnen gevoelig reageren op hard leidingwater. Geef zo veel mogelijk regenwater, voor het allerbeste resultaat.
2.2 Temperatuureisen
De meeste in de handel aangeboden adiantums, en A. raddianum in het bijzonder, willen het hele jaar door tussen de 15 en 22 graden staan. Laat de temperatuur bij deze soort liever niet onder de 10 à 12 graden zakken; korte koelere momenten zijn niet meteen fataal, maar langdurige koude geeft snel schade, vaak zichtbaar als plotseling zwart wegtrekkende bladeren. Boven de 25 graden gaat het in een doorsnee huiskamer ook niet best met deze kamperplanten, niet zozeer omdat ze die temperatuur niet kunnen verdragen, als wel omdat de luchtvochtigheid bij hoge temperaturen vrijwel altijd te ver wegzakt.
Een wat koelere standplaats, een graad of 18 tot 20, is zo bezien meestal beter dan een tropisch warme. A. capillus-veneris verdraagt iets lagere temperaturen dan A. raddianum en kan eventueel ook ergens overwinteren bij een graad of 10, mits hij dan ook duidelijk droger wordt gehouden.
2.3 Standplaats

Zet een adiantum op een lichte plek zonder directe zon. Een raam op het noorden of een wat schuiner gelegen plek bij een raam op het oosten of westen is doorgaans ideaal. Felle middagzon is funest: de tere blaadjes verbranden in een paar uur, en wat verbrand is, komt niet meer terug.
Belangrijker nog dan het licht is de luchtvochtigheid. Venushaar gedijt pas echt goed bij een luchtvochtigheid van zestig procent of meer, en dat is in de meeste huiskamers, zeker in de winter, wanneer de verwarming aanstaat, niet vanzelfsprekend. Een paar werkbare oplossingen:
- Plaats de plant in een verwarmde badkamer, mits daar voldoende licht binnenvalt.
- Gebruik een vensterbankkasje of een glazen stolp. Voor A. raddianum ‘Microphyllum’ werkt zelfs een grote glazen vaas of een open terrarium prima.
- Zet de plant op een schaal met natte hydrokorrels of vochtig grind, zonder dat het water de wortels raakt, of gebruik de omgekeerde schaalmethode. Daarbij zet je de plant met waterschaal en al op een omgekeerde waterschaal, die op zijn beurt weer in een zeer brede waterschaal staat. Als je een laagje water in de onderste schaal giet staat de plant boven het water, terwijl de wortels niet voortdurend in het water staan.
- Een luchtbevochtiger in de kamer maakt vaak meer verschil dan dagelijks sproeien met een plantenspuit, en is minder bewerkelijk.
Tochtige standplaatsen zijn af te raden, en een plek vlak boven of naast de radiator is voor een venushaar de snelste route naar een vroege dood. Zie ook het kopje Overige tips bij de verzorging verderop in dit artikel voor wat je moet doen als je merkt dat je plant droge punten begint te krijgen.
2.4 Voeding
Varens vragen niet veel voeding, en adiantums zijn daar geen uitzondering op. Sterker nog: ze zijn gevoelig voor opbouw van zouten in de potkluit, wat zich uit in bruine bladpunten en stagnerende groei. Geef tijdens het groeiseizoen (van maart tot en met september) hooguit één keer per twee tot vier weken een vloeibare voeding voor groene planten, en gebruik daarvan ongeveer de helft van de dosering die op de verpakking staat. In de winter geef je geen voeding.
Een speciale varenvoeding bestaat niet echt; standaard kamerplantenvoeding voldoet prima, mits sterk verdund. Als je het idee hebt dat de plant er amechtig uitziet, is voeding overigens zelden het juiste antwoord. In vrijwel alle gevallen heeft een treurige adiantum een probleem met water of luchtvochtigheid, en zal extra voeding de zaak alleen maar verergeren.
2.5 Verpotten
Adiantums zijn matige groeiers en hoeven zelden vaker dan eens per twee tot drie jaar te worden verpot. Het beste moment is het vroege voorjaar, vlak voordat de nieuwe groei op gang komt. Kies een pot die maar één maat groter is dan de huidige; te ruim potten leidt bij deze plant snel tot een te natte kluit en wortelproblemen. Als je tevreden bent met het huidige formaat, kun je ook prima verpotten in dezelfde pot; zo nu en dan verse aarde is voor venushaar al heel plezierig.
Voor het potmengsel volstaat een doorlatende potgrond voor kamerplanten, eventueel verrijkt met een handvol vermalen kokosvezel of perliet om de doorlatendheid te verbeteren. Een vleugje fijne kalk in het mengsel is voor A. capillus-veneris aan te bevelen, omdat deze soort van nature op kalkrijke standplaatsen voorkomt; voor A. raddianum is dat minder belangrijk.
Tip: bij het verpotten is het verstandig om de oude potkluit eerst goed door en door nat te maken. Dat doe je het gemakkelijkste door de hele kluit een halfuur in een emmer water onder te dompelen. Zo heeft de plant nog een aantal dagen voldoende vocht, zonder kletsnatte aarde waar nog geen wortels in zitten, en die hooguit gaat rotten.
2.6 Snoeien

Snoeien is bij adiantums vooral een kwestie van bruin geworden bladeren verwijderen. Dat doe je het beste met een schaartje, zo dicht mogelijk bij de bodem – het oog wil ook wat, immers.
Is een plant grotendeels verdroogd – iets dat helaas regelmatig gebeurt – dan is een radicale aanpak vaak je beste kans. Knip alle bladeren tot vlak boven de potgrond weg, zet de plant in een lichte maar niet te warme omgeving,alled de kluit gelijkmatig vochtig en hoop op vers uitlopend blad. Adiantums kunnen op die manier verrassend vaak terugkomen, mits de wortelkluit zelf nog leeft. Een geslaagde reanimatie kost wel enkele weken tot een paar maanden, dus enig geduld is een vereiste.
2.7 Vermeerderen
Anders dan veel andere kamerplanten kun je adiantums niet stekken. Het zijn varens, en die werken nu eenmaal anders. Praktisch gezien blijven er twee manieren over om je plant te vermenigvuldigen: het delen van de kluit en het uitzaaien van sporen. Het eerste gaat de huiskamertuinier doorgaans gemakkelijk af; het tweede vraagt aanzienlijk wat geduld.
2.7.1 Delen van de kluit
De gemakkelijkste manier is het scheuren van de wortelkluit, bij voorkeur tijdens het verpotten in het voorjaar. Haal de plant voorzichtig uit de pot, klop wat losse potgrond van de kluit en zoek met je vingers naar natuurlijke breuklijnen tussen de groeipunten. Veel adiantums laten zich zonder veel moeite in twee of zelfs drie of vier delen scheuren. Pot elk deel apart op in een wat kleinere pot, zorg dat elke nieuwe plant minstens drie of vier gezonde bladeren heeft, en behandel de jonge planten daarna met nog wat meer voorzichtigheid dan gewoonlijk; ze zijn de eerste weken extra kwetsbaar voor uitdroging.
2.7.2 Sporen
Varens vermeerderen zich in de natuur via sporen, en in principe kun je daar in huis ook mee experimenteren. Leg wat van de omgeslagen, sporendragende bladranden ondersteboven op een vel wit papier en wacht een dag of twee; je zult een dun, bruin laagje sporen aantreffen. Strooi die voorzichtig uit op een pot met vochtige, steriele, fijne potgrond, dek de pot af met een glasplaatje of doorzichtige plastic zak om de luchtvochtigheid hoog te houden, en zet hem op een licht maar niet zonnig plekje bij kamertemperatuur.
Na enkele weken tot maanden (!) verschijnen er hartvormige, een paar millimeter brede groene plaatjes op de grond: dat zijn de prothallia, het tussenstadium van de varenvoortplanting. Daaruit ontstaan met wat geluk piepkleine varenplantjes. We zullen niet doen alsof dit ook maar half zo gemakkelijk is als het scheuren van een kluit. Het succespercentage van zaaien is een huiskamer vaak teleurstellend laag, maar het is wel een fascinerend proces om eens te zien.
2.8 Bloeiwijze
Adiantums bloeien niet. Het zijn, zoals alle varens, sporenplanten zonder bloemen of zaden. Wat je af en toe wel kunt zien, en wat een aardig botanisch detail is om eens nader te bestuderen, zijn de sporendragers aan de onderzijde van de bladeren. Bij adiantums zijn die anders gevormd dan bij veel andere varens: de bladrand zelf rolt zich aan de onderzijde van het blad om, en onder die omgeslagen rand, een zogenoemd schijnindusium[SL3.1], zitten de sporen, in lijnvormige of niervormige groepjes. Bij andere varens, zoals de krulvaren of de blauwvaren, zitten de sporenhoopjes juist gewoon op het bladoppervlak.
Voor de huiskamertuinier maakt dit allemaal weinig uit, maar het is bij twijfel een handige determinatiehulp: als je niet zeker weet of een onbekend stek-met-zwarte-steeltjes een echte adiantum is, zoek je naar die omgeslagen bladranden onderaan een mooi volgroeid blad.
2.9 Ziektes en plagen
In gezonde toestand zijn adiantums redelijk plaagbestendig. Treedt er een plaag op, dan zit de oorzaak vrijwel altijd in een suboptimale standplaats, en zijn de problemen dus eerder een symptoom dan een ziekte op zich. De volgende beestjes kom je af en toe tegen:
- Spint. Komt vrijwel altijd voor bij planten die te droog staan; spint is gek op droge lucht. Als je het ziet (heel kleine spinnetjes op de onderzijde van de bladeren, vaak met dun spinrag) is dat tegelijk een signaal dat je iets aan de luchtvochtigheid moet doen.
- Wolluis. Wittige, watachtige propjes in de bladoksels of op de bladsteel. Bij een adiantum lastig te bestrijden zonder de tere bladeren te beschadigen; voorzichtig met een wattenstaafje en wat verdunde groene zeep verwijderen werkt vaak nog het beste.
- Schildluis. Bruine, schildvormige bobbeltjes op de stelen. Even taai aan te pakken als wolluis.
Chemische bestrijdingsmiddelen voor kamerplanten kunnen bij adiantums tot bladschade leiden; de bladeren zijn nu eenmaal extreem dun. Test een middel dan ook altijd eerst op een klein stukje blad voor je de hele plant behandelt, en geef de voorkeur aan zachte middelen zoals insectenzeep.
Ziekten in engere zin zijn zeldzaam. Wortelrot komt voor, maar dat is feitelijk een verzorgingsprobleem en geen ziekte: het ontstaat door langdurig te natte voeten en niet door een ziekteverwekker.
2.10 Overige tips bij de verzorging
Adiantums zijn communicatieve planten: ze laten vrij snel weten dat er iets mis is. Een paar veelvoorkomende signalen en hun gebruikelijke oorzaak:
- Bruine bladpunten of bruine plekken in de bladrand: te droge lucht. Dit is verreweg de meest voorkomende klacht. Verbeter de luchtvochtigheid (zie het kopje Standplaats hierboven in dit artikel).
- Verdorde, krullende of volledig ingedroogde bladeren: de kluit is een keer te ver uitgedroogd. Het ingedroogde blad herstelt niet meer; knip het weg en hopelijk komt er fris nieuw blad voor in de plaats.
- Slap hangende, lichtere bladeren met een week aanvoelende basis: te veel water of een te lang nat gehouden kluit. Laat eerst goed uitdrogen, en herzie je gietregime.
- Plotselinge zwart wegtrekkende delen: vrijwel altijd koudeschade. Controleer de plek waar de plant staat; tocht uit een raam of een koude vensterbank in de winter is een veelvoorkomende boosdoener.
- Vergelende oudere bladeren bij een verder gezond ogende plant: meestal gewoon normaal verouderingsproces. Knip de gele bladeren onderaan af; er komt nieuw blad voor terug.
Eén laatste praktische tip: zet een adiantum niet op een plek waar je hem regelmatig zal vergeten te verzorgen. Dit is geen plant die overleeft op verwaarlozing. Een vaste plek waar de plant zichtbaar in je dagelijkse looplijn staat helpt veel meer dan welke verzorgingstip ook.
3. Adiantum kopen: waar moet je op letten en waar kan het?

Adiantums zijn breed verkrijgbaar. Tuincentra hebben ze vrijwel altijd in voorraad, en ook bij bloemisten en in supermarkten kom je ze dikwijls tegen. In een gemiddeld assortiment is het in vrijwel alle gevallen een cultivar van A. raddianum; andere soorten of cultivars vind je eerder bij gespecialiseerde varenkwekers en sommige webwinkels die zich op zeldzamere kamerplanten richten.
Bij het uitzoeken van een exemplaar zijn er een paar zaken waar je op kunt letten:
- Kies een plant met overwegend frisgroen blad. Een enkel bruin puntje is geen ramp, maar planten met flink wat bruin of vergeeld blad hebben al een rotperiode achter de rug en zijn meestal niet meer in topvorm.
- Kijk of je jonge, opkrullende bladeren ziet : die lijken op kleine herdersstafjes en zijn het teken dat de plant actief in de groei is.
- Til de pot even op om hem op gewicht te controleren. Een opvallend lichte pot betekent vrijwel zeker een uitgedroogde kluit, en dat is bij deze plant geen goed nieuws.
- Laat exemplaren staan die buiten worden uitgestald bij temperaturen onder de 12 graden; die hebben al koudeschade opgelopen, ook al is dat aan de plant zelf nog niet altijd direct te zien.
- Verpak de plant goed voor het transport naar huis als het buiten kouder is dan een graad of 10, want koudeschade kan snel intreden. Een papieren zak of een opgevouwen tas om de plant heen helpt al.
Als je kwetsbare huisgenoten hebt, is er goed nieuws: een adiantum is in de praktijk een veilige keuze. De plant wordt niet tot de giftige kamerplanten gerekend voor mensen, honden of katten. De bladeren van A. capillus-veneris werden, zoals eerder vermeld bij het kopje Inleiding, ooit zelfs verwerkt tot capillaire-siroop. Dat wil niet zeggen dat we adviseren om je adiantum te gaan opeten – daarvoor is hij veel te mooi – maar van een rondscharrelende kat of nieuwsgierige peuter hoef je in niet wakker te liggen.
Op dit artikel rust auteursrecht. Zonder onze toestemming is overnemen verboden.
